Klopt het, wat ze zeggen, dat het mondeling Nederlands een ‘gesprek is tussen twee mensen over boeken die ze allebei niet gelezen hebben’? Eerst maar even mijn kant van de vergelijking. Het mondeling gaat over de boeken uit 4, 5 en 6 vwo; dat zijn er vijftien per leerling. Die heb ik niet allemáál gelezen, dat klopt. Ik doe wel mijn uiterste best; de weken voor de mondelingen doe ik niks anders dan lezen, lezen, tot ik al lezend met mijn hoofd tegen een keukenkastje aanloop. Van de vijf boeken die de leerlingen dit schooljaar hebben moeten lezen, wil ik er zelf in elk geval vier gelezen hebben. Maar de totaal vrije keuze die leerlingen op onze school hebben, zorgt ervoor dat ik dat nét niet red.
Wat ze lezen fluctueert nogal per jaar. Dit jaar is Mulisch de grote winnaar. Wel acht van zijn boeken staan op de lijsten van mijn leerlingen. Zelf ben ik geen groot Mulisch-fan. Maar door mijn leerlingen lees ik ook boeken die me blij maken. Overal zit mens van Yves Petry, bijvoorbeeld.
Lezen de leerlingen de boeken van hun lijst? Mijn zoon van 18 weet het:
- ‘Als jij echt denkt dat leerlingen die boeken lézen, ben je gek. Ik heb bij [achternaam docent] een 8,5 gehaald en ik had níks gelezen!’
- ‘Oh, ik dacht dat jij Turks fruit zo mooi vond?’
- ‘Nou ja oké, Turks fruit. En Een roos van vlees dan. O ja, dat oude boek over die apen die hun staart afhakken. Maar verder echt geen letter!
- ‘Blijkbaar is het cooler om te zeggen dat je nooit leest.’
De mondelingen met mijn v6 gaan eigenlijk verrassend goed. Ze weten beslist meer dan in de samenvattingen staat. Ja, zelfverzekerd doen ze ook beweringen die je op je lip doen bijten. Louis Couperus was een échte renaissanceman. Die Max Havelaar was zelf ook geen lieverdje hoor. Uiteindelijk gaat alle grote literatuur over de vraag of je moet doen wat je ouders zeggen.
Maar literatuur verbinden aan hun eigen leven, dat doen ze prachtig. Ze vergelijken hoofdpersonages met hun eigen ontwikkeling en doen uit de doeken hoe ze het vonden om verliefd te zijn op iemand van hetzelfde geslacht, en dat ze vinden dat dat zo mooi beschreven wordt in het boek. Filosoferen over de betekenis van een boek doen ze beter dan analyse van de tekst zelf.
- ‘Vertel toch maar hoe De Engelenmaker eindigt. Ik heb het al gelezen.’
- ‘Eh… nou volgens mij ging hij dood.’ [ze scant mijn gezicht]. ‘Of eh… hij bleef leven, toch? Op het nippertje? Zoiets?’
- ‘Ik help je. Er was iets met een kruisiging.’
- ‘Eh, o ja! Dat vond ik wel heftig, daarom was ik het even vergeten. Dus. Nou. Oh, eigenlijk heb ik geen idee mevrouw. Maar als ik een voldoende krijg ga ik het alsnog lezen. Beloofd!’