Ik heb me tot nu toe eigenlijk nooit negatief uitgelaten over leerlingen. Waren zij lastig, dan was dat beslist mijn fout. Ik moest het nog leren, lesgeven. Ik moest leren orde houden; moeilijk gedrag was een reflectie van mijn onkunde. 

Dat vind ik nog. Maar ik vind ook dat sommige leerlingen ongelooflijk brutaal zijn. 

Lars zit al de halve les te klooien en heeft twee waarschuwingen gehad. Als hij een harde boer laat, wijs ik naar een tafeltje vooraan in de klas. ‘Ga daar maar zitten’. Een hoop gesputter: belachelijk, als je moet boeren dan moet je toch boeren, een andere les had Sanne ook geboerd en die hoefde toen niet vooraan te zitten, stom. Even later zit hij op z’n nieuwe plek. Boos. Of ie toch weer meedoet met de les en z’n boek open wil slaan, vraag ik hem. Hij kijkt me recht aan, en vraagt ‘Wat is je probleem?’ 

Een paar weken geleden vertelde ik Muhar dat hij even moest blijven na de les. Hij was het daarmee niet eens. ‘Ik wil toch even met je praten’, zei ik. ‘Ik dacht het niet, vriend’, zei hij.

Het maakt me laaiend. Waar halen die veertienjarigen het lef vandaan om zo tegen hun leraren te praten? Wie voedt deze kinderen op, en hoe gebeurt dat dan? Het leraarschap is het prachtigste vak, maar het kan ook het slechtste in je naar boven halen. De zin om sarcastisch te worden, bijvoorbeeld. En het verlangen naar een ‘vroeger’ waarin er nog respect bestond voor de leraar, en waarin brutaliteit fors werd bestraft.  

De oplossing voor opkomende reactionaire ideeën is: bel je vader. Hij is 85 en vergeetachtig maar over zijn tijd als leraar schooldirecteur weet hij nog alles. Als ik hem vertel over mijn ervaringen, kiest hij altijd het perspectief van de leerling. En geeft me handvatten hoe met ze om te gaan. Ik sputter dan wat: hij heeft meer natuurlijk charisma dan ik, voor hem was het altijd gemakkelijker. Maar hij kan zich ook beter inleven in mijn 2-havo-leerlingen: hij vond school vroeger vreselijk en wilde dáárom leraar worden. Hij begreep kinderen die er geen zin in hebben, en begrijpt ze nog steeds. Ik ben een leukere leraar voor de leerlingen die wél willen. 

Na vijf minuten praten met hem zijn mijn reactionaire ideeën verdwenen. Ik heb weer zin om morgen les te geven. 

Of ik binnenkort weer langskom, vraagt hij. ‘Ik dacht het niet, vriend’ probeer ik als grap. Maar daar moeten we geen van beiden om lachen.