Het totaal aantal leerlingen fluctueert. Daarom is het belangrijk om niet alleen naar absolute maar ook naar relatieve aantallen te kijken. Als we inzoomen op het speciaal onderwijs, dan blijkt dat niet alleen het aantal, maar ook het aandeel leerlingen in het speciaal onderwijs groeit. De afgelopen vijftien jaar steeg dat van 2 naar 2,5 procent in het so en van 3,5 naar 4 procent in het vso.
Deze stijging baart op zichzelf al zorgen. Want het is tegengesteld aan de ambitie Inclusief onderwijs in 2035. Inclusief onderwijs biedt kinderen kansen: ze kunnen naar een school in de buurt, kunnen uit meer vakken en profielen kiezen, ontwikkelen zich beter en leren met elkaar omgaan. Dit vraagt uiteraard wel om goede begeleiding en ondersteuning voor een goede ontwikkeling van álle leerlingen.
Daar komt bij dat als je een regiobril opzet, je ook tussen de samenwerkingsverbanden enorme verschillen ziet in hoeveel leerlingen per regio naar het (v)so gaan. De kaart van Nederland wordt dan een lappendeken van hoge en lage percentages, stijgingen en dalingen. Het aandeel leerlingen in het so varieert per regio tussen de 1 en 4 procent en bij het vso zelfs tussen de 1 en 6 procent.
Bij de meeste samenwerkingsverbanden zie je dat dit aandeel jaar op jaar stijgt, maar er zijn ook samenwerkingsverbanden waar de deelname aan het (v)so daalt. En dat zit ‘m niet in de leerlingen, die populatie verschilt niet zo sterk tussen de regio’s. Deze verschillen zijn voor een belangrijk deel het gevolg van beleidskeuzes van de samenwerkingsverbanden en de aangesloten schoolbesturen.
Dit zien we bijvoorbeeld als we inzoomen op het (tussentijds) terugplaatsen van leerlingen uit het speciaal onderwijs naar het regulier onderwijs. Die tussentijdse uitstroom varieert van bijna geen enkele leerling die tussentijds overstapt in de ene regio, tot 1 op de 20 leerlingen in de andere regio.
Ondersteuningsplannen laten zien dat samenwerkingsverbanden sterk verschillen in de mate waarin zij beleid formuleren rond (tussentijdse) uitstroom. Minder dan de helft benoemt specifiek beleid over tussentijdse uitstroom en slechts een kwart formuleert een concreet doel of concrete ambitie gericht op deze uitstroom.
In samenwerkingsverbanden die wél concreter uitstroombeleid formuleren, zien we aanwijzingen dat leerlingen vaker tussentijds uitstromen naar meer regulier onderwijs dan in regio’s waar dat beleid afwezig is. Waarom is dit nu een probleem? Heel simpel: het creëert ongelijke kansen. Het maakt uit in welke regio je wieg stond.
Dit geldt voor veel overgangsmomenten in de onderwijsloopbaan, zagen we ook in de Staat van het Onderwijs 2026. Terwijl we uit onderzoek weten dat de meeste leerlingen die uitstromen naar het regulier onderwijs daar succesvol zijn. Deze leerlingen volgen drie jaar later nog steeds onderwijs op die school of hebben daar inmiddels een diploma behaald.
Dit beeld maakt duidelijk dat het onderwijs zich actiever en gerichter moet inzetten voor grotere deelname aan het regulier onderwijs en intensievere samenwerking tussen regulier en speciaal, om (tussentijdse) uitstroom te bevorderen. Hier zijn concrete doelen en effectieve aanpakken voor nodig. Ik realiseer me dat dit veel vraagt van het onderwijs, onder vaak lastige omstandigheden. Toch is het nodig om de ambitie van inclusief onderwijs in 2035 waar te maken. Het goede nieuws? Ik kom ze gelukkig steeds meer tegen in het speciaal én het regulier onderwijs: schoolleiders met een inclusieve visie, en samenwerkingen waar muziek in zit.
Matthijs van den Berg is directeur Kennis bij de Inspectie van het Onderwijs.