Inclusief onderwijs: uiterlijk in 2035 moeten kinderen met bijvoorbeeld een chronische ziekte, een visuele beperking of een autistische stoornis zoveel mogelijk naar reguliere scholen gaan. Maar anno 2026 staat niet elke school te trappelen om zulke leerlingen in huis te halen. Want ook al zal het niemand verbazen dat leerlingen met complexe problematiek doorgaans niet de hoogste scores halen, voor de Onderwijsinspectie zijn leerprestaties een belangrijke graadmeter. Dat moet anders, vinden de Groenlinks-PvdA Kamerleden Marjolein Moorman en Lisa Westerveld. Scholen die wel inclusief onderwijs aanbieden, mogen daarvan geen nadelige gevolgen ondervinden. Hun motie werd begin maart met een ruime Kamermeerderheid aangenomen.
‘Onderwijsresultatenmodel moet op de schop’
Marjolein Moorman, Woordvoerder onderwijs Tweede Kamerfractie PRO:
‘Ik ben in Amsterdam zeven jaar wethouder van onderwijs geweest en heb daar van dichtbij gezien hoe de inclusiviteit van het onderwijs onder druk staat. Meer en meer kinderen worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs of gaan helemaal niet meer naar school. Dat heeft te maken met de centrale rol van toetsuitslagen in het onderwijsresultatenmodel – de meetlat die de Onderwijsinspectie gebruikt om scholen te beoordelen.
Scholen die geen goede scores kunnen overleggen, hebben wat uit te leggen. Die nadruk op prestaties leidt tot een ongewenste selectiecultuur in het voortgezet onderwijs. Want scholen hebben er nu baat bij om vooral goed presterende leerlingen binnen te halen. Terwijl kinderen – met of zonder beperking – zoveel mogelijk samen zouden moeten opgroeien.
Tegelijkertijd heb ik meegemaakt hoe scholen die wel bewust ruimte creëren voor kinderen met een bepaalde ondersteuningsbehoefte, door de inspectie worden afgestraft. Daarom wil ik net als de medeondertekenaars van deze motie dat het onderwijsresultatenmodel op de schop gaat. Aandacht voor leerprestaties is natuurlijk belangrijk, dat moet zo blijven. Maar wij willen dat de inspectie ook oog heeft voor scholen die serieus werk maken van inclusiviteit. Dat kan niet goed met het huidige model.’
‘School moet altijd belang leerling voorop stellen’
Stef Macke, directeur vmbo-locatie d'Ampte van het Tabor College (Hoorn):
‘Ik kan me zeker vinden in deze motie. Leerprestaties spelen inderdaad een grote rol in het onderwijsresultatenmodel dat de Onderwijsinspectie hanteert. Dat is niet altijd in het belang van het kind. Wij hebben bijvoorbeeld een tech-mavo die ook kinderen met een havo-advies trekt. Dan krijg je van de inspectie een minnetje, want zo’n leerling stroomt lager uit dan het advies dat die oorspronkelijk kreeg.
Terwijl die leerling dit zelf graag wil doen. Je kunt dan in een gesprek proberen de inspectie ervan te overtuigen dat dit toch echt het beste is, maar dan moet je stevig in je schoenen staan. Toch verwacht ik van scholen dat ze altijd het belang van de leerling voorop stellen, ook als dat tot dit soort gesprekken leidt. Dat hoort erbij.
Het is natuurlijk wel zo dat – hoe mooi het ideaal van inclusief onderwijs ook is – sommige leerlingen op een reguliere school niet op hun plek zijn. Dan moet je een traject in en zorgen voor een goede oplossing. Overigens herken ik het beeld niet dat scholen bewust leerlingen met een hulpvraag buiten de deur houden. Ik zou dat ook heel kwalijk vinden.’
‘Knelpunten kan scholen niet dwingen’
Melanie Ehren, hoogleraar onderwijsbeleid Vrije Universiteit (Amsterdam):
‘Deze motie legt de vinger op de zere plek. Het onderwijsresultatenmodel van de Onderwijsinspectie – en dan met name de nadruk op leerprestaties – geeft scholen inderdaad een prikkel om moeilijke leerlingen te weren. Maar dat is maar een deel van het probleem. Het lukt nu geregeld niet om passend onderwijs te organiseren voor leerlingen met behoefte aan bepaalde ondersteuning. Dat heeft te maken met de complexe manier waarop we dat in Nederland geregeld hebben. Er zitten veel partijen aan tafel die allemaal deels verantwoordelijkheid dragen.
Denk aan scholen, besturen, het samenwerkingsverband, maar ook jeugdzorg en gemeenten. Dan zijn er nog de wachtlijsten in de jeugdzorg en het komt ook voor dat ouders en scholen verschillend denken over wat een goede oplossing is. Deze knelpunten hebben allemaal niets met de Onderwijsinspectie te maken. Bedenk ook dat de Onderwijsinspectie wel toezicht houdt op de samenwerkingsverbanden, maar geen doorzettingsmacht heeft.
Als de inspectie constateert dat scholen, schoolbesturen of samenwerkingsverbanden tekort schieten, is er niet veel dat ze kan doen. Ze kan scholen niet dwingen om leerlingen op te nemen en voor passend onderwijs te zorgen. Deze kant van het verhaal mis ik in deze motie.’