Inspecteur-generaal Alida Oppers van de Inspectie voor het Onderwijs spreekt van een teleurstelling. Ze constateert dat de noodzakelijke kwaliteitsverbetering van de prioriteiten taal, rekenen en burgerschap nog blijft steken. ‘We hadden verwacht dat er een trendbreuk zou zijn, maar die is er nog niet.’ Oppers stelt dat de onderwijscarrière van leerlingen ook nog steeds afhangt van waar hun wieg stond. De regionale verschillen zijn groot.

De situatie is vergelijkbaar met die van een jaar geleden. Bij de steekproefonderzoeken sinds 2023/2024 beoordeelde de inspectie ongeveer 82 procent van de scholen in het funderend onderwijs (basis-, middelbaar en speciaal onderwijs) als voldoende. In het po was dat 85 procent, in het vo 77 procent en in het (v)so 81 procent. Ongeveer 18 procent kreeg het oordeel onvoldoende (16 procent) of zelfs zeer zwak (2 procent). Daarbij moet worden aangemerkt dat – zelfs al zijn de steekproefonderzoeken van twee schooljaren samengevoegd – maar een beperkt aantal scholen is onderzocht. Dat geldt ook voor het mbo, waar pas twee jaar steekproefonderzoek wordt gehouden. Pas na nog eens twee jaar is er een representatief beeld. 

De inspectie gaf in 2024 en 2025 44 procent van de opleidingen in het mbo het predicaat onvoldoende en 1 procent werd aangemerkt als zeer zwak. ‘Het beeld is niet veranderd vergeleken met vorig jaar,’ licht Annelies Opstraat toe. De directeur toezicht mbo en ho bij de inspectie legt uit dat bij kwaliteit gekeken wordt of de studenten goed les krijgen, hoe het is gesteld met het schoolklimaat en de veiligheid, of studenten van voldoende niveau worden afgeleverd, de sturing en kwaliteitszorg en de onderwijsresultaten. Sturing en kwaliteitszorg zijn vaak reden voor een onvoldoende, maar de meeste onvoldoendes hangen samen met de onderwijsresultaten. Als het studiesucces onvoldoende is, is het totaaloordeel ook direct onvoldoende, legt ze uit. 

Voor het funderend onderwijs gaat dat per 2027 veranderen. Scholen krijgen na een afgerond kwaliteitsonderzoek niet langer automatisch het eindoordeel onvoldoende als zij onvoldoende scoren op de standaard leerresultaten. Dat is een uitvloeisel van de motie Stoffer/Ceder in de Tweede Kamer over het toezicht op het funderend onderwijs.

Kwaliteitszorg

Volgens de Staat van het Onderwijs heeft een aanzienlijk deel van de scholen nog steeds moeite met een goede uitvoering van de kwaliteitszorg. Gevolg is dat er steeds weer nieuwe onvoldoende en zeer zwakke scholen bijkomen en het herstel lang niet altijd tijdig lukt. Bij onderzoek na herstelopdrachten kreeg namelijk een derde van de scholen in po, (v)so en vo opnieuw een onvoldoende.

De inspectie doet besturen en scholen net als een jaar geleden de aanbeveling alle drie de elementen van kwaliteitszorg te versterken: zowel de inrichting als de uitvoering en de evaluatie. Daarbij draait het niet zo zeer om de kwaliteitszorg op papier, maar om de praktijk.

Volgens de Staat van het Onderwijs heeft een aanzienlijk deel van de scholen nog steeds moeite met een goede uitvoering van de kwaliteitszorg. Gevolg is dat er steeds weer nieuwe onvoldoende en zeer zwakke scholen bijkomen en het herstel lang niet altijd tijdig lukt. Bij onderzoek na herstelopdrachten kreeg namelijk een derde van de scholen in po, (v)so en vo opnieuw een onvoldoende.

De inspectie doet besturen en scholen net als een jaar geleden de aanbeveling alle drie de elementen van kwaliteitszorg te versterken: zowel de inrichting als de uitvoering en de evaluatie. Daarbij draait het niet zo zeer om de kwaliteitszorg op papier, maar om de praktijk.

Hefboom

Vorig jaar schreven de toenmalige bewindslieden van OCW Eppo Bruins en Mariëlle Paul in een beleidsreactie op de Staat van het Onderwijs 2025 dat de kwaliteit van het onderwijs onder druk stond. Ze stelden dat er geen quick fix beschikbaar is om de problemen op te lossen, maar een langetermijnaanpak nodig is. In de Staat van het Onderwijs 2026 staat dat de inspectie een grote rol ziet voor de schoolleider om het tij te keren. Alida Oppers: ‘De schoolleider is de hefboom.’ Daarnaast zijn er rollen weggelegd voor leraren, onderwijsassistenten en besturen; als individuele onderwijsprofessionals, maar vooral ook als collectief. De inspectie zelf speelt natuurlijk ook een belangrijke rol. We zetten de verschillende rollen op een rij.

De schoolleider

De schoolleider – en daar wordt ook de rector, conrector en opleidingsmanager onder verstaan – heeft niet alleen een hoofdrol, maar is ook de regisseur als het gaat om kwaliteitszorg (zie kader). ‘Het is iemand die richting geeft, ruimte schept en steeds opnieuw het gezamenlijk belang voor ogen houdt,’ legt inspecteur-generaal Oppers uit. ‘Een derde van de schoolleiders komt echter onvoldoende toe aan onderwijskundige sturing.’ Door de vele taken kan de schoolleider zich niet voldoende bezighouden met bijvoorbeeld de vormgeving van de samenhang in het burgerschapsonderwijs en geïntegreerd taalonderwijs. Schoolleiders snakken naar minder administratie en minder regeldruk. Oppers pleit daarom voor een dialoog met bestuurders om schoolleiders meer tijd en ruimte te geven. 

Schoolleiders en bestuurders moeten drempels bij de instroom en doorstroom van leerlingen wegnemen. Nu zijn er namelijk grote verschillen tussen de regio’s als het gaat om schooladviezen en plaatsing in het vervolgonderwijs. In sterk verstedelijkte gebieden stellen scholen naar aanleiding van de doorstroomtoets het voorlopige advies vaker bij en in andere gebieden wordt dat advies vaker niet bijgesteld, ook al komen de leerlingen daar wel voor in aanmerking. In het noorden en oosten van het land zitten leerlingen in het derde jaar van de middelbare school bij een dubbel toetsadvies vaker op het laagste niveau. Stapelen gebeurt vaker in de Randstad dan elders in het land.

Basisvaardigheden

Veel scholen hebben een herstelopdracht gekregen voor de basisvaardigheden (taal, rekenen/wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid). In het voortgezet onderwijs gaat het zelfs om 73 procent van de geïnspecteerde scholen, gevolgd door 58 procent van de basisscholen en 54 procent van de scholen in het (v)so. Burgerschapsonderwijs is in de optiek van de inspectie vaak niet doelgericht en de samenhang ontbreekt. Positief is dat er in po, vo en (v)so stappen worden gezet naar geïntegreerd taalonderwijs. 

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs is de leesvaardigheid en de woordenschat nog steeds aanzienlijk minder dan voor corona. Dat geldt ook voor rekenen/wiskunde, vooral op het vmbo. Structurele verbetering van de leerresultaten heeft waarschijnlijk meer tijd nodig, concludeert de inspectie.

De Staat vermeldt verder dat examens in het voortgezet onderwijs onvoldoende inzicht geven in de beheersing van de referentieniveaus. Daardoor is er geen goed zicht op de doorlopende leerlijn naar vervolgonderwijs. Iets vergelijkbaars speelt bij het mbo. Daar zijn de referentieniveaus vervangen door praktische rekeneisen – en binnenkort waarschijnlijk ook taaleisen – die de Expertgroep Herijking Rekeneisen mbo in opdracht van OCW heeft ontwikkeld om aan te sluiten bij mbo’ers. De inspectie heeft daardoor minder zicht op de onderwijskwaliteit en dat geldt ook voor vervolgopleidingen. Die zeggen vervolgens bij inspectie dat het instroomniveau ook lager was, zegt Marie-Anne Mittelhaëuser, programmamanager Staat van het Onderwijs bij de inspectie. ‘Dat valt niet te verifiëren, maar het is belangrijk dat het niveau van mbo’ers hoog genoeg is om goed in de maatschappij te kunnen functioneren.’

De leraar

Leerkrachten en docenten hebben ook een belangrijke rol. Ze moeten ervoor zorgen dat álle leerlingen en studenten profiteren van de lessen. Het is daarom van belang met het team afspraken te maken over differentiatie. De leraar dient voortdurend na te gaan of alle leerlingen de lesstof begrijpen en te zorgen voor ondersteuning of juist extra uitdaging. ‘Kleine aanpassingen in het aanbod, een korte herhaling van de uitleg en een iets moeilijker variant van de opdracht zijn vaak al afdoende om dit bereiken,’ aldus de Staat.

Wat de basisvaardigheden (zie kader) betreft, geeft de inspectie leraren en docenten in po, vo, (v)so en mbo de boodschap mee dat leesvaardigheid een sleutel tot succes is. Op basisschool Blink in Culemborg doen ze er alles aan de intrinsieke motivatie te stimuleren om te lezen. Directeur Cornélie Bogerd: ‘Wij willen een echte leesschool zijn. We hebben een mooie schoolbibliotheek. We vinden lezen heel belangrijk, niet alleen technisch lezen, maar we willen ook stimuleren dat de leerlingen meer willen weten over bijvoorbeeld die walvis uit het boek.’

De inspectie wijst verder op het belang van samenwerking tussen leraren en vaksecties in het voortgezet onderwijs. Als er dan ook nog geïnvesteerd wordt in vakdidactiek kan het team doelgericht werken aan verbetering van de onderwijskwaliteit.

‘Goed onderwijs en goed bestuur gaan zwaarder wegen’

De onderwijsondersteuner

Onderwijsondersteuners kunnen leraren ontlasten. Ze kunnen differentiatie tijdens de les vergemakkelijken, bijvoorbeeld door extra directe instructie te geven aan leerlingen die dat nodig hebben. De inspectie stelt vast dat er de afgelopen jaren op scholen steeds meer onderwijsondersteunend personeel is bijgekomen. Maar er zijn vaak geen duidelijke afspraken over het takenpakket en er is op veel scholen ook geen beleid over de inzet van de ondersteuner.

Ondersteunend personeel kan ook de taken van schoolleiders verlichten, bijvoorbeeld in de administratie.

De inspecteur

De Onderwijsinspectie kreeg in april 2025 een veeg uit de pan met de motie van Ilana Rooderkerk (D66). Zij stelde samen met enkele andere Tweede Kamerleden dat de inspectie slecht zicht had op de onderwijskwaliteit van basisscholen. Meer dan duizend basisscholen ontliepen een onvoldoende omdat ze niet waren geïnspecteerd. De motie riep de inspectie op alle scholen om en nabij iedere vier jaar te bezoeken om problemen te signaleren en de kwaliteit te verbeteren. 

De inspectie schrijft in de Staat van dit jaar dat inspecteurs weer vaker naar scholen en besturen gaan. Inspecteurs bezoeken scholen en besturen niet alleen om ze te beoordelen, maar ook om ze te stimuleren om gericht aan verbetering te werken. Zo heeft de inspectie aangekondigd in het mbo aan scholen en besturen meer te gaan uitleggen wat ze verstaat onder goede uitvoering van de kwaliteitszorg. Daar zijn in het mbo namelijk verbeteringen mogelijk. 

In 2027 komt er een nieuw zogenoemd onderzoekskader. De inspectie legt dan meer focus op de doorlopende leerroute. De leerresultaten krijgen in het funderend onderwijs een minder prominente rol. ‘Goed onderwijs en goed bestuur gaan dan zwaarder wegen.’ Bovendien komt er meer variatie in het toezicht: van kortdurende onaangekondigde schoolbezoeken tot zwaardere inspecties bij risico’s of tekortkomingen.

Focus op leerproces

Het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) – dat zich inzet voor de belangen van leerlingen in het voortgezet onderwijs – pleit ervoor dat de inspectie de focus verlegt van de onderwijsresultaten naar het leerproces. Voorzitter Thijmen Widlak legt uit dat het LAKS het met de inspectie eens is dat er nóg harder getrokken moet worden aan het verbeteren van de basisvaardigheden. ‘Maar we zijn ook kritisch: we weten dat scholen vatbaar zijn voor de perverse prikkels die de onderzoeken van de Inspectie teweegbrengen.’  

Hij doelt daarmee op het onderwijsresultatenmodel dat de inspectie hanteert om scholen te beoordelen. Daarin zitten volgens LAKS indicatoren die ervoor zorgen dat scholen leerlingen zo snel mogelijk, zo ‘hoog’ mogelijk en met zo hoog mogelijke eindcijfers door hun middelbare schoolloopbaan willen duwen. Scholen houden daarom krampachtig vast aan goede scores van leerlingen en streven naar een goed imago van de school. 

Gevolgen daarvan zijn gestreste leerlingen én docenten, een overspannen toetscultuur, weinig ervaren ruimte voor flexibiliteit en maatwerk en ongemotiveerde of zelfs gedemotiveerde leerlingen. ‘We kijken ervan op dat de inspectie dit resultatenmodel blijft hanteren. Waar is de aandacht voor de leerling en diens proces?’ vraagt de LAKS-voorzitter zich af. LAKS betreurt het dat de Onderwijsinspectie de prestatiedruk bij leerlingen niet tot hoofdonderwerp heeft gemaakt.

De bestuurder

Schoolbesturen moeten de schoolleider de ruimte geven en faciliteren om de onderwijskwaliteit voor alle leerlingen en studenten te verbeteren. Een oplossing kan zijn om assistenten taken te laten overnemen, zodat de schoolleider zich meer met kwaliteitszorg bezig kan houden. Bij basisschool Blink in Culemborg neemt de koepelorganisatie de schoolleider werk uit handen, legt directeur Cornélie Bogerd uit. Haar school is één van de achttien basisscholen van de stichting Trinamiek. ‘De stichting erkent de rol van schoolleider. Ik hoef me niet bezig te houden met zaken als huisvesting, P&O en ICT. Er is iemand binnen de stichting met expertise op die terreinen.’ Ze spreekt van de kracht van het collectief. Blink profiteert er als kleine school van dat de stichting zaken financiert. Daardoor is er budget voor een conciërge en een administratief medewerker. 

‘Vaak geen afspraken takenpakket onderwijsondersteuner’

De inspectie doet de aanbeveling aan besturen om de kennis en kunde over inclusief onderwijs geven te vergroten en ervoor te zorgen dat leerlingen en studenten die extra ondersteuning nodig hebben een passende plek kunnen krijgen in het regulier onderwijs. Zo kunnen ze leren van cluster-1 en cluster-2 scholen in het speciaal onderwijs. Die hebben daar ervaring mee. 

De gemeenteambtenaar

Ook voor de gemeenteambtenaar is een rol weggelegd. Gemeenten krijgen het advies zich te blijven inspannen voor voldoende aanbod van voorschoolse educatie. Ze moeten in contact met de ouders van peuters die het risico op onderwijsachterstanden lopen, stimuleren dat hun kinderen naar de voorschoolse educatie gaan. De overheid moet daarnaast het recht op goed onderwijs voor nieuwkomers waarborgen.