Ooit, in een ver verleden, toen ik startte in het regulier onderwijs waren de methodes mijn houvast voor een goede les. Ze gaven structuur, een volgorde en zekerheid. Ik wist wat ik moest doen, wanneer en hoe lang. Als leerlingen achterbleven, keek ik naar extra instructie of herhaling; allemaal netjes binnen de kaders van de methode. En als een leerling de lesstof na alle methode-interventies nog steeds niet snapte? Dan lag het vast aan de leerling; de methode had immers altijd gelijk. Tot ik startte in het speciaal onderwijs met zeer moeilijk lerende (ZML) leerlingen. Daar werkte dat vertrouwde houvast ineens niet meer.

Mijn leerlingen leren niet volgens de logica van de methode. Hun ontwikkeling verloopt grillig, in kleine stappen, met terugval en onverwachte sprongen vooruit. De methode vertelt me waar een leerling ‘hoort’ te zijn, maar het kind laat iets anders zien. Vasthouden aan de methode betekent hier: voorbijgaan aan wat er werkelijk gebeurt. Je hoort tijdens het werken met moeilijk lerende kinderen vaak: ‘Dat kunnen ze niet’. Maar kunnen zij het niet, of kan de methode het niet?

Ik merkte dat ik moest kiezen. Blijf ik doen wat het boek voorschrijft, of kijk ik naar wat het kind op dat moment nodig heeft? Ik koos voor dat laatste en het effect was groter dan ik had verwacht: meer professionele autonomie, meer werkplezier en beter zicht op de ontwikkeling van mijn leerlingen. Ik kijk scherper naar wat een leerling tijdens instructie laat zien. Precies daar gebeurde iets opmerkelijks. Leerlingen werden rustiger en lieten minder frustratie zien. En ik voelde mij – voor het eerst – echt eigenaar van mijn onderwijs.

Afstemmen op het kind

Wat mij misschien nog het meest verraste is dat deze manier van werken mij niet alleen een betere ZML-leerkracht maakte, maar een betere leerkracht in het algemeen. Want de kern – kijken naar wat een kind laat zien en daarop je handelen afstemmen – geldt voor elke leerling, in elk type onderwijs.

Laten regenen in de klas

Dat betekende soms dat ik bewust afweek van wat de methode voorschreef of zelfs helemaal geen methode gebruikte. Zo hadden we ooit een les mondelinge taal waarin verschillende soorten regenkleding centraal stonden. De methode gaf me een les met woordkaarten, filmpjes en het concrete materiaal. Maar het is toch veel leuker om het echt te laten regenen in de klas? Dus ik kleedde me om, nam een paraplu mee en liet het in de klas regenen met een gieter. De hele klas nat, maar de juf was droog dankzij de regenkleding. De kinderen vergeten deze les nooit meer. De taal bleef beter hangen dan bij het werken met losse woordkaarten omdat de leerlingen de woorden konden koppelen aan een concrete ervaring.

De methode loslaten, vraagt lef. Het betekent dat je niet altijd kunt terugvallen op vaste antwoorden. Maar het betekent niet: minder structuur, integendeel. Het levert iets wezenlijks op: onderwijs dat weer gaat over leren, in plaats van over volgen.

 

Tessa van Beers is leerkracht in het speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen in Goes. Daarnaast is ze eigenaar van Tessa van Beers Onderwijs & Advies en maakt ze online cursussen en workshops voor leerkrachten in het (speciaal) basisonderwijs.