Het doet denken aan de situatie in het onderwijs aan het begin van de vorige eeuw. In 1901 werd de Leerplichtwet ingevoerd. Die wet dwong ouders en voogden om kinderen naar school te laten gaan. Het schoolverzuim bleef echter hardnekkig. Het absolute schoolverzuim, tegenwoordig ‘thuiszitten’ genoemd, schommelde in de periode 1901-1920 rond de 5 procent van de kinderen in de lagere schoolleeftijd. Daarnaast was er een grote groep leerlingen die ‘ten onder’ ging in het gewone klassikale onderwijs.
Hoge eisen
Er werden destijds hoge eisen gesteld aan leerkrachten die zich wilden richten op het onderwijs aan leerlingen die niet mee konden komen in het reguliere onderwijs. Als minder bekwame onderwijzers dit onderwijs zouden verzorgen, werd dat een fiasco, concludeerde een commissie van deskundigen aan de vooravond van de invoering van de leerplicht.
Begin vorige eeuw had men dus al scherp door dat bijna alles afhangt van de persoonlijkheid en de vakbekwaamheid van de onderwijzer. Wie onderwijs geeft aan leerlingen met een beperking aanvaardde een missie, zo was de gedachte. Kenmerkend was onder meer ‘onuitputtelijk geduld, onverstoorbare kalmte, uitgebreide vakkennis en een onvermoeide geest’. Om passend onderwijs te geven was grondige vakkennis noodzakelijk.
Ruim honderd jaar geleden werd dat dus al belangrijk gevonden. Daarom werd ook gestreefd naar een gespecialiseerde vervolgopleiding, want de kennis van de opleiding tot leraar was niet voldoende. Verdere scholing voor een leraar was en is echter nog steeds vrijblijvend. Dat is heel vreemd vanuit het perspectief van inclusief onderwijs. Al in 1958 schreef de onderwijzer en pedagoog W.A. van Liefland dat de bekwaamheid om les te geven aan leerlingen met een beperking klaarblijkelijk op je ‘neerdaalt’, tegelijk met de benoeming. ‘We vinden dat heel gewoon, maar is het in de grond van de zaak niet waanzinnig en misdadig?’ zo vroeg hij zich af.
De onderwijssituatie is nu niet veel anders. Er worden geen extra eisen gesteld aan de leerkrachten terwijl wel verwacht wordt dat ze bekwaam zijn om aan een gedifferentieerde groep leerlingen onderwijs te geven. Recentelijk, in oktober 2025, verscheen de Inventarisatie van de curricula voltijdroutes naar het leraarschap primair onderwijs. Slechts 4 van de 47 voltijdsroutes dekken volledig de drie bekwaamheidscategorieën (vakinhoudelijk, vakdidactisch en pedagogisch). Meer dan de helft van de onderwijseenheden besteedt aandacht aan overige bekwaamheden, zoals visievorming, zelfreflectie en onderzoekende houding. Passend onderwijs ontbreekt in het basiscurriculum van de opleiding tot leraar.
Bekwaamheidsregister
Ons onderwijs moet in 2035 inclusief zijn, een onderwijssysteem dat recht doet aan verschillen die er nu eenmaal zijn. Om inclusie te realiseren is degelijke basiskennis en voortdurende scholing nodig van het prachtige beroep van onderwijzer. In het onderwijs is daarom een bekwaamheidsregister noodzakelijk, zoals in de zorg een BIG-registratie geldt. Dan kunnen leerlingen, ouders, leraren en besturen erop vertrouwen dat de basis in orde is.
De Inspectie van het Onderwijs geeft aan dat nu 107.000 leerlingen een vorm van gespecialiseerd onderwijs volgen. Daarnaast heeft 10 procent van de leerlingen in het regulier funderend onderwijs een extra ondersteuningsbehoefte, dat zijn dan ruim 136.000 leerlingen in het basisonderwijs en ruim 75.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs. Deze cijfers weerspiegelen de enorme vraag naar vakbekwame leerkrachten. De weg naar inclusief onderwijs dreigt nu een fiasco te worden. Dat mogen wij als rijke samenleving niet laten gebeuren. De voortdurende verbetering van het onderwijs is een blijvende zorg.
Jan Brandsma is sinds 1969 bij het speciaal onderwijs betrokken: als onderwijzer bij verschillende typen speciaal onderwijs en als docent en directeur bij de opleidingen voor het speciaal onderwijs. Dit is een ingekorte versie van de introductie bij de Hermen J. Jacobslezing 2025. De volledige tekst is te lezen op hjjacobsfonds.nl.