Met name leraren (81,3 procent) namen deel aan onze peiling. De meeste respondenten (51,9 procent) geven aan hun werk nog met plezier te doen. Toch geeft ruim een derde (37 procent) aan het werk ‘gedeeltelijk met plezier’ te doen, en 11,1 procent beleeft géén plezier op school. 

De belangrijkste motivatiebron voor bijna drie kwart (73,3 procent) van de onderwijsprofessionals is het contact met de leerlingen. Daarna volgt al snel de inhoud van het vak (65,5 procent) en de band met collega’s (54,9 procent). Ook veel autonomie ervaren (37,9 procent) en een prettige cultuur (35 procent) staan in de top-5 van antwoorden over werkplezier.

Respondenten geven hun werk een 6,9 gemiddeld. 42,9 procent geeft het rapportcijfer 8 of hoger en nog eens 29,3 procent een mooie 7. Toch geven 25 personen (12 procent) een onvoldoende aan hun huidige baan. Drie personen geven zelfs een 2, 1 of 0. 

De belangrijkste motivatiebron voor bijna drie kwart (73,3 procent) van de onderwijsprofessionals is het contact met de leerlingen. Daarna volgt al snel de inhoud van het vak (65,5 procent) en de band met collega’s (54,9 procent). Ook veel autonomie ervaren (37,9 procent) en een prettige cultuur (35 procent) staan in de top-5 van antwoorden over werkplezier.

Respondenten geven hun werk een 6,9 gemiddeld. 42,9 procent geeft het rapportcijfer 8 of hoger en nog eens 29,3 procent een mooie 7. Toch geven 25 personen (12 procent) een onvoldoende aan hun huidige baan. Drie personen geven zelfs een 2, 1 of 0. 

Hoge werkdruk

Uit de enquête klinkt dan ook een duidelijke waarschuwing: het beroep staat onder druk door de hoge werkdruk, personeelstekorten en administratieve lasten. Als antwoord op de vraag waarom onderwijsprofessionals minder plezier ervaren, staat met stip op één: de hoge werkdruk (68,9 procent). 

Daaraan gerelateerd geeft 60,7 procent aan te weinig tijd te hebben voor goed onderwijs. Een ander zorgelijk punt is de motivatie van leerlingen (22,4 procent), het gebrek aan maatschappelijke waardering (20,4 procent) en de (te) hoge druk van ouders (19,4 procent). Opvallend is dat maar 12,2 procent aangeeft te weinig autonomie in het werk te hebben.

Drie kwart (74,5 procent) geeft aan last te hebben van de te hoge werkdruk. De ervaren werkdruk is gemiddeld 6,7 op een schaal van 0 tot 10, waarbij een 0 staat voor geen werkdruk en een 10 voor onhoudbare druk. 

Oorzaken

De administratieve last wordt het vaakst als oorzaak genoemd van de (te) hoge werkdruk (65,5 procent). Ook te veel leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften is een belangrijke oorzaak (55,7 procent). (Te) veel veranderingen tegelijkertijd wordt door 38,5 procent genoemd. 32,8 procent noemt de emotionele belasting van het beroep. Het minst genoemd is de hoeveelheid toetsen en correctiewerk: 19 procent.

De combinatie van lesgeven, administratie en extra taken zorgt ervoor dat veel docenten het gevoel hebben voortdurend achter de feiten aan te lopen. Een respondent zegt: ‘We moeten alles oplossen: gedrag, zorg, administratie en oudercontact’. Een andere respondent geeft aan: ‘Lesgeven is het mooiste dat er is. Maar alles eromheen maakt het soms bijna onmogelijk.’

Oplossingen lerarentekort

Het lerarentekort op veel scholen speelt mee bij de werkdruk. Een kleine meerderheid van de respondenten (47,1 procent) geeft aan dat er geen lerarentekort op hun school is, maar 44,2 procent zegt daar wel mee te kampen.

Scholen proberen dat tekort op verschillende manieren op te lossen. De inzet van andere professionals (onderwijsassistenten, lerarenondersteuners, studenten en vakspecialisten) wordt het vaakst genoemd (50,5 procent). Nog eens 40,9 procent zet onbevoegde mensen voor de klas. Bijna een kwart (24 procent) kijkt naar een andere invulling van de onderwijstijd. Oplossingen als een andere dag- en weekindeling, een vierdaagse schoolweek, de inzet van een brugfunctionaris en unitonderwijs worden weinig aangegeven. 

Blijven of weggaan

De grote meerderheid van de ondervraagde onderwijsprofessionals heeft de intentie de komende jaren in het beroep te blijven (58,7 procent). Toch twijfelt bijna een derde (31,7 procent). De overige bijna 10 procent geeft aan het beroep te willen verlaten. 

De belangrijkste redenen om te blijven is het contact met jongeren, de vakinhoud, betekenisvol werk en autonomie. Een docent schrijft: ‘Het moment dat een leerling ineens snapt wat je uitlegt.’ Een ander: ‘Mijn vak overbrengen en leerlingen enthousiasmeren.’

Redenen om te vertrekken hangen ermee samen dat deze aspecten niet goed lopen. Een docent geeft aan: ‘Ik vind het lesgeven aan generatie Z echt lastig.’ Een andere respondent: ‘De mentaliteit van veel kinderen die afhaken als ze denken dat het moeilijk zou kunnen zijn.’ Een derde merkt op: ‘De kinderen vertonen nu te veel probleemgedrag, waardoor ik het plezier steeds meer verlies.’ Een leerkracht schrijft dat hij steeds meer te maken heeft met probleemgedrag, maar niet over de kennis en faciliteiten beschikt om hiermee om te gaan. Een respondent geeft zelfs aan alleen te blijven als passend onderwijs wordt afgeschaft.

De werkdruk wordt in onze open vraag ook zeer vaak genoemd als mogelijk kantelpunt om het beroep te verlaten. ‘Als de werkdruk zo blijft, weet ik niet hoe lang ik dit volhoud’. Een ander: ‘Ik houd van lesgeven, maar niet van alle bureaucratie eromheen.’ Ook een leidinggevende die te weinig waardering en ondersteuning geeft, wordt genoemd. Te weinig autonomie en professionele ruimte, te weinig doorgroeimogelijkheden en een te laag salaris zijn andere redenen die respondenten aangeven om weg te gaan. Een respondent schrijft: ‘De status van het beroep neemt alleen maar af. Dat is te wijten aan politieke besluiten: lumpsum, cao-onderhandelingen zonder ministerie.’

Imago vak

Voor veel onderwijsprofessionals is het matige imago van het vak een heet hangijzer. Ruim drie kwart van alle respondenten (77,4 procent) vindt dat het imago van het beroep beter moet. 13,5 procent is het daar niet mee eens en 9,1 procent heeft er geen mening over. 

Volgens een aantal respondenten begrijpen veel mensen niet hoe complex en veeleisend het werk is. ‘Mensen denken dat we alleen lesgeven.’ Het beroep ‘vereist vakmanschap’. Een ander: ‘We begeleiden leerlingen, voeren gesprekken met ouders en lossen problemen op. Hoe vaak je moet schakelen op de dag tussen allerlei taken, vragen en wensen. Je staat de hele dag aan.’ En: ‘We gaan niet om drie uur naar huis, samen met de kinderen. Dan begint het pas… Onderwijs is topsport.’

Voor veel leraren is het inclusief onderwijs ook een doorn in het oog. ‘Passend onderwijs op scholen met veel leerlingen met een ondersteuningsbehoefte is echt te belastend. Het is niet haalbaar zonder extra handen in de klas.’ Een ander geeft aan: ‘Wij zijn geen opvoeders – dit is in beginsel aan ouders – maar ondersteunen pedagogisch op normen en waarden.’ 

Het is duidelijk dat er (te) veel maatschappelijke problemen op het bordje van de leraar worden gegooid. ‘Hier hebben ouders, beleidsmakers en de maatschappij een rol in’. Ook zitten leraren niet te wachten op tussenlagen en onderwijsbureaus die vanaf de zijlijn roepen hoe het allemaal moet. Een respondent roept: ‘De invloed en macht van uitgevers, methodemakers en overheid mag veel minder!’

Dit soort aspecten zijn voelbaar in de samenleving en worden uitgedragen in de media. Vaak gaat het ook over de lange vakanties van leraren. Daar brengen de respondenten veel tegenin, zoals: ‘Leraren hebben meer overuren dan vakantie-uren’. Ook de niet altijd betaalde voorbereidingstijd sluit daarbij aan. De grote klassen is een ander aspect dat nog weleens de media haalt. Dat te veel benadrukken doet het imago ook geen goed.

Prachtig vak

Ondanks de negatieve opmerkingen, lees je tussen de regels door ook veel over de bevlogenheid, trots, het betekenisvolle werk en de invloed op de menswording van jongeren. ‘Leraren werken vanuit passie en vakkennis. Het is leuk en inspirerend werk, goede docenten kunnen echt het verschil maken.’ En: ‘De vorming van jonge mensen is onmisbaar om ook in de toekomst een leefbare omgeving te houden.’ Een ander: ‘Onderwijs is de toekomst, en daar is tijd en ruimte voor nodig.’ Een andere respondent concludeert: ‘Als we weer vooral docent kunnen zijn, blijft dit het mooiste beroep.’ Als scholen en beleid erin slagen die druk te verlagen, kan het onderwijs weer aantrekkelijker worden voor huidige en toekomstige docenten.