Leerachterstanden en personeelstekorten zetten het voortgezet onderwijs al jaren onder druk. Scholen zoeken naar manieren om leerlingen effectief te blijven ondersteunen zonder de werkdruk van docenten verder te verhogen. Daarbij klinkt steeds nadrukkelijker de vraag: wat werkt écht? Voor één aanpak is dat nu duidelijk geworden. De interventie StudentinzetopSchool.

Ontstaan in crisistijd

Het platform StudentinzetopSchool is ontstaan tijdens de coronapandemie, toen scholen werden geconfronteerd met oplopende leerachterstanden. Het uitgangspunt was eenvoudig en praktisch: reguliere studenten uit het hoger onderwijs, getraind door de lerarenopleiding, ondersteunen docenten in het voortgezet onderwijs en bieden leerlingen extra begeleiding. 

StudentinzetopSchool verbindt zeven not-for-profit organisaties verspreid over Nederland, die reguliere studenten uit het hoger onderwijs inzetten ter ondersteuning van vo-scholen. De deelnemende initiatieven werken vanuit de universitaire lerarenopleidingen die de studenten trainen voordat ze in de klas worden ingezet. Het gaat dus nadrukkelijk niet om stagiairs. Voor de studenten is hun inzet een bijbaan. Ze worden assistent van een bevoegd docent. De interventie zelf bestond lokaal al langer, maar de landelijke samenwerking en afstemming begon in coronatijd.

Wat begon als een landelijke noodoplossing in crisistijd is nu een interventie die grondig is onderzocht en effectief bevonden. In de periode 2022–2025 was StudentinzetopSchool onderwerp van effectonderzoek binnen het programma Kansrijke interventies van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).

Opzet onderzoek

Het onderzoek had de vorm van een randomized controlled trial (RCT), de meest robuuste onderzoeksopzet om effecten van interventies aan te tonen. In totaal deden 18 scholen voor voortgezet onderwijs mee, met 68 docenten en bijna 1.800 leerlingen. 

Op de scholen werd steeds gewerkt met twee vergelijkbare klassen van dezelfde docent. In de ene klas ondersteunde een student de docent, in de andere klas niet. Zo konden de resultaten goed met elkaar worden vergeleken. Om ethische redenen konden scholen in een latere fase alsnog een student inzetten in de klassen die tijdens het onderzoek geen ondersteuning hadden gekregen.

De cijfers van leerlingen zijn verzameld en naast elkaar gelegd. Daarbij is gekeken naar hun prestaties in de interventieperiode en naar hun cijfers uit het jaar daarvoor. Zo werd zichtbaar of leerlingen met extra ondersteuning van studenten anders gingen presteren dan leerlingen zonder die ondersteuning.

Naast cijfers is ook informatie opgehaald via vragenlijsten, logboeken van studenten en gesprekken met leerlingen en docenten. Daardoor ging het onderzoek niet alleen over of de inzet van studenten werkt, maar ook hoe betrokkenen dit ervaren, en wat daarbij helpt. Die combinatie maakt de uitkomsten extra bruikbaar voor de onderwijspraktijk.

Uitkomsten

De uitkomsten zijn helder en significant. Leerlingen die deelnamen aan de interventie behaalden gemiddeld 0,21 punt hogere cijfers dan leerlingen in de controlegroep. Dat lijkt misschien niet zoveel, maar dit is een betekenisvol effect omdat het gaat om een beperkte interventie van ongeveer veertig uur inzet per klas, verdeeld over tien weken. Voor individuele leerlingen kan dit het verschil maken tussen slagen of zakken. 

Juist omdat in het onderwijs vaak wordt gezocht naar wat echt werkt, is het bovenstaande een belangrijke uitkomst. Al eerder wees de commissie-Dijsselbloem erop dat onderwijsvernieuwingen alleen zinvol zijn als ze steunen op degelijk en onafhankelijk onderzoek. Dit onderzoek laat zien dat de inzet van studenten aantoonbaar bijdraagt aan betere leerresultaten.

Beeld van leraarschap

Naast de effecten voor leerlingen en docenten laat het onderzoek nog een belangrijke bijvangst zien. Vrijwel alle deelnemende studenten geven aan dat zij door hun inzet een beter beeld hebben gekregen van het beroep van docent. Daarmee draagt de interventie ook bij aan een realistischer beeld van het werken in het onderwijs en kan zij voor sommige studenten een opstap vormen richting een loopbaan in het onderwijs. Dit is een relevant bijeffect in het kader van het huidige en toekomstige lerarentekort. 

Versterken onderwijsproces

Studenten worden in deze interventie ingezet als assistent van de docent. Zij ondersteunen leerlingen tijdens de les en bij zelfstandig werken, geven extra uitleg en begeleiden leerlingen individueel of in kleine groepen. Daarnaast nemen zij ondersteunende taken van docenten over, zoals de voorbereiding van lesmateriaal of hulp bij surveilleren of nakijken. 

Door deze inzet ontstaat extra ruimte in de klas. Leerlingen die vastlopen, kunnen sneller persoonlijke ondersteuning krijgen, terwijl de docent meer overzicht houdt en gerichter kan differentiëren. De studenten staan dus niet zelfstandig voor de klas, maar versterken wel het onderwijsproces.

Het onderzoek laat zien dat de effectiviteit samenhangt met de manier waarop deze inzet wordt georganiseerd. Heldere taakafspraken tussen docent en student spelen daarbij een belangrijke rol. Ook een goede aansluiting tussen de vakinhoudelijke kennis van de student en het vak waarin deze wordt ingezet, draagt bij aan de opbrengst. Daarnaast blijkt voor sommige studenten de geboden extra begeleiding vanuit de lerarenopleiding van meerwaarde, bijvoorbeeld op het gebied van didactiek en klassenmanagement. Deze inzichten maken duidelijk dat de inzet van studenten een interventie is die vraagt om bewuste keuzes in de uitvoering.

Werkdruk

Naast leerresultaten is ook gekeken naar de werkdruk die docenten ervaren. Het onderzoek liet een gemiddelde daling zien van de ervaren werkdruk in de periode van de inzet van studenten. Tegelijkertijd laten deze ervaringen van docenten een wisselend beeld zien. Niet alle docenten ervoeren verlichting; in enkele gevallen nam de werkdruk juist toe.

Dat onderstreept dat de inzet van studenten zorgvuldig moet worden georganiseerd. Het begeleiden en aansturen van studenten vraagt om coördinatie en afstemming. Wanneer daar onvoldoende aandacht voor is, kan dat juist extra belasting opleveren. De inzet van studenten is daarmee geen automatisch middel om werkdruk te verlagen, maar een aanpak die vraagt om duidelijke afspraken en ondersteuning.

De onderzoeksresultaten laten zien dat StudentinzetopSchool breed toe te passen is. Het is een interventie die relatief eenvoudig en tegen lage kosten te organiseren is en tegelijkertijd aantoonbaar bijdraagt aan betere leerresultaten. 

Marjolein Muskens (midden) is senior onderzoeker bij de onderzoeksgroep onderwijs en kansengelijkheid van KBA Nijmegen. Ralph Meulenbroeks is hoogleraar wetenschappelijke geletterdheid en afdelingsvoorzitter van het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht. Hanny Gijsman is projectmanager bij het ICLON, Universiteit Leiden.

Universiteiten

Bij StudentinzetopSchool zijn betrokken:

  • Radboud Universiteit
  • Technische Universiteit Eindhoven
  • Tilburg University
  • Universiteit Leiden
  • Universiteit Twente
  • Universiteit Utrecht
  • Universiteit van Amsterdam
  • Vrije Universiteit