Kansenongelijkheid kent vele dimensies. In de grote stad vind je vwo-scholen bij de vleet, daarbuiten moet een kind soms wel tien kilometer fietsen. In de op 15 april gepresenteerde Staat van het Onderwijs legt de Inspectie van het Onderwijs de vinger op deze geografische component. Het schoolaanbod, hoe kansrijk er wordt geadviseerd, hoe vaak er diploma’s gestapeld worden, de voorzieningen voor extra ondersteuning – het verschilt allemaal per regio. De schoolcarrières van kinderen kunnen dan ook niet los gezien worden van waar ze opgroeien. Onwenselijk, aldus de Onderwijsinspectie, die vindt dat de talenten van alle kinderen maximaal benut moeten worden. Hoe krijg je dat voor elkaar? 

‘Hoge verwachtingen stimuleren’

‘De Staat van het Onderwijs signaleert een serieus probleem, maar biedt geen verklaringen voor de regionale verschillen. Als je daar wat over wilt zeggen, moet je gericht onderzoek doen, bijvoorbeeld naar de aspiraties van ouders, leerlingen en leraren. Wat verwachten ze van het onderwijs, wat zijn hun ambities? 

Het valt mij op dat sommige regio’s waar de onderwijskansen niet volledig benut worden – Oost-Groningen, de Achterhoek – ook prominent figureren in de Atlas van afgehaakt Nederland – een studie naar Nederlanders die zich niet gehoord voelen en ‘afhaken’. In ons systeem ontleen je status aan prestaties. Dat systeem kent winnaars en per definitie dus ook verliezers. Die laatsten lijken in Nederland bovenmatig geconcentreerd in het Noorden en het Oosten. 

Als groepen structureel achterblijven in schoolsucces, kunnen ze zich van het onderwijs afkeren en hun trots aan iets anders ontlenen dan prestaties, bijvoorbeeld aan lokale identiteit. Dat kan hen weerhouden om in de stad te gaan studeren. Het onderwijsveld kan niet veel doen aan dit soort complexe problematiek. We kunnen hooguit meer benadrukken dat meedoen met onderwijs voor iedereen loont en ambities en hoge verwachten voor alle leerlingen stimuleren.’

‘Nuchterheid slaat soms door’

‘Ja, het maakt uit waar je wieg staat. Dat verander je niet zo maar. Groningen is een krimpregio, de leerlingaantallen dalen. Kinderen zullen bij ons ook in de toekomst verder moeten fietsen dan in de Randstad. Het zal al een hele klus worden om het havo/vwo-aanbod overeind te houden. 

Regionale verschillen kennen ook een culturele kant. In de Randstad zie je meer prestatiedruk, bij ons meer nuchterheid. Nuchterheid is prima, maar slaat soms door. Ik heb ouders over hun kind wel horen zeggen: ‘een niveautje lager is ook prima’. Dat is zonde. Goed dat de Onderwijsinspectie schoolbesturen oproept tot bewustwording van mogelijke vooroordelen. 

Maar prestatiedwang en de druk voor steeds hogere adviezen zorgen ook voor problemen. De Onderwijsinspectie schrijft wel dat hoger niet beter is, maar handelt er niet naar. Robbert Dijkgraaf probeerde als minister van Onderwijs het mbo op de kaart te zetten. Toch krijgen wij van de inspectie een tik op de vingers als havo-leerlingen naar het mbo vertrekken. Het kwaliteitssysteem is beknellend. Ik zie basisscholen nu shoppen naar de doorstroomtoets die de hoogste scores geeft. Vervolgens worden wij als middelbare scholen afgerekend op de afstroom. Dat wringt.’

‘Afstand tot school speelt rol bij advisering’

‘Regionale verschillen bestaan, maar vergeet de verschillen tussen stad en platteland binnen een bepaalde regio niet. Die zijn misschien wel relevanter. Ik werk nu in Enschede en denk dat de verschillen met een stad als Utrecht kleiner zijn dan met de omringende dorpen hier in de provincie. Ik heb in het verleden ook in de regio gewerkt – dicht bij de Duitse grens – en merkte dat de afstand tot een school daar echt een factor kan zijn in de advisering. 

Er is een bepaalde voorzichtigheid. ‘Probeer het eerst maar hier in het dorp, dan kun je later altijd nog verder kijken.’ Dat is ook begrijpelijk, tien kilometer naar school fietsen is niet niets voor een kind. Maar het is wel zonde als een kind niet op de plek komt waar het het beste tot zijn recht komt.

Hoe je dit oplost? Daar bestaan geen pasklare oplossingen voor. Het zou goed zijn als contact tussen collega’s van binnen en buiten de Randstad, van stad en van platteland, meer gestimuleerd wordt. Zodat je gaat zien welke factoren – bewust of onbewust – een rol spelen bij een schooladvies. Ik hoop dat dat gesprek op gang komt.’