Tijd voor wat duiding. Daarvoor moeten we terug naar de feiten. Waar worden deze uitspraken op gebaseerd? In het primair onderwijs (po) gaat het vaak om scores op de eind- of doorstroomtoets en in het voortgezet onderwijs (vo) om examencijfers. Dit zijn zogenoemde high-stake toetsen, dat wil zeggen dat er voor leerlingen veel van afhangt. Naast toetsen hebben we (inter)nationale peilingen. Dit zijn low-stake testen, waar voor leerlingen niet zoveel van afhangt. Ten slotte zijn er ook trends vast te stellen op basis van LVS-toetsen, waarmee scholen de ontwikkeling van hun leerlingen volgen.
Als we de balans opmaken op basis van de beschikbare cijferreeksen, ontstaat een divers beeld, dat wisselt per sector, niveau en meetinstrument. Dat biedt natuurlijk ruimte voor selectief shoppen. Daarom wil ik hier alvast een oude les van mijn moeder introduceren: altijd met meer woorden spreken. Laten we daartoe een poging wagen.
Voor rekenen-wiskunde in het po geldt dat de toetsscores op landelijk niveau al een tijd min of meer stabiel zijn. Het overgrote deel van de achtstegroepers stroomt door naar het vo met minimaal referentieniveau 1F, het fundamentele niveau dat vrijwel alle leerlingen zouden moeten behalen. Bijna de helft haalt 1S, het streefniveau dat nodig is om in de maatschappij mee te kunnen doen.
In het vo is het beeld zorgelijker. Hier laten LVS-toetsen en peilingen een dalende trend zien, waarbij de kloof tussen vo-niveaus lijkt te groeien en met name vmbo basis/kader (b/k) achterblijft. Zo liet een inspectiepeiling naar rekenen-wiskunde zien dat bijna driekwart van de tweedeklassers in vmbo b/k onder 1F scoort.
Bij taal zien we een enigszins vergelijkbaar patroon. Toetsgegevens over lezen en spelling laten een redelijk stabiel beeld zien in het po: bijna alle leerlingen halen 1F, de helft tot driekwart haalt 2F. Ook hier zien we in het vo, zowel in toetsen als bij peilingen, dalende trends die zich na de coronaperiode niet hersteld hebben en zelfs verder lijken te dalen. Opnieuw zijn de resultaten in het vmbo b/k het zorgelijkst: twee derde leest volgens een landelijke peiling aan het eind van leerjaar 2 nog onder 1F-niveau.
Kun je dus zeggen dat de basisvaardigheden dalen? Dat is niet het hele verhaal. We zien immers stabiele trends én dalende trends. Onder die gemiddelden en trends zit echter een enorme variatie tussen scholen en leerlingen. Op veel plekken in Nederland staan scholen waar nog veel talent onbenut blijft. Dat is doodzonde. In de allereerste plaats voor de leerlingen zelf, maar ook als land kunnen we ons dit niet veroorloven. Lees er de Staat van het Onderwijs maar op na.
Iedere leerling moet met voldoende basiskennis en basisvaardigheden naar het vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt. Hoe je het ook wendt of keert, dat is nu niet het geval. Dit vraagt van het onderwijs aandacht, focus, vakmanschap en volharding. De nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s vormen hierbij een uitgelezen kans. Scholen moeten hier immers hun curriculum op inrichten, waarbij meer samenhang binnen en tussen vakgebieden uitgangspunt is. ‘De school stimuleert de taalontwikkeling van de leerling in alle leergebieden.’ ‘De school ondersteunt het gebruik van wiskunde in verschillende leergebieden.’ Kleine zinnetjes, met grote implicaties.
Het onderwijs staat met het vertalen van kerndoelen naar klaslokalen voor een grote opgave. Het is niet voor niks dat de inspectie hier pas vanaf 2031 op gaat handhaven. Maar als dit lukt, ben ik ervan overtuigd dat we binnen afzienbare tijd dit soort krantenkoppen gaan lezen: ‘Lezen, schrijven en spreken in de lift’.
Matthijs van den Berg is directeur Kennis bij de Inspectie van het Onderwijs.