De onderwijsinspectie publiceerde recentelijk een peilingsonderzoek waaruit blijkt dat het niveau van spreekvaardigheid in het basisonderwijs is afgenomen. Dat probleem is niet nieuw, zo leert de onderwijsgeschiedenis. De veelkleurige, modern ogende ‘omgevingsplaten’ (zie afbeeldingen) van illustrator Adri Alindo uit 1931 hielpen daarbij. Ze waren bestemd voor de jongste leerlingen. ‘Waar kijken we naar? Vertel er eens wat over? Wat zie je allemaal?’ Maar ver voordat deze schoolplaten het klaslokaal versierden, dachten pedagogen al na over de vraag hoe kinderen leren spreken en hoe de school daarbij kan helpen.
Taalvorming
Pedagoog en hoofdonderwijzer Jan Geluk beschreef in zijn Woordenboek voor opvoeding en onderwijs (1882) dat ‘taalvorming’ van groot belang is. De leerkracht speelt hierbij een niet te overschatten rol. Leerlingen moeten zaken waar het in het onderwijs over gaat duidelijk leren uitspreken – begrippen, voorstellingen, bepalingen, oordelen, regels en wetten.
Als de leerkracht spreekt, dan is het nog maar de vraag of de boodschap overkomt, aldus Geluk. Het is beter om het kinderen zélf te laten doen. Spreken bevordert het bewustzijn en maakt de gedachten van kinderen hoorbaar.
Kinderen die nog in het stadium van taalvorming verkeren, hebben er plezier in dingen te benoemen, aldus Geluk. Meisjes en jongens wijzen voortdurend op zaken die ze om zich heen zien en vragen wat het is of hoe het heet, wat zij zien of horen. Kinderen hongeren niet alleen naar kennis van voorwerpen en hun eigenschappen, maar hunkeren tegelijkertijd naar taal: ze willen benoemen wat ze zien en horen, zoals tsjilpen, blaffen en miauwen.
In de negentiende eeuw werd het ‘aanschouwingsonderwijs’ – het leren waarnemen – gebruikt om dit te bevorderen: het benoemen van voorwerpen en er klassikaal over praten. Geluk introduceerde een onderwijskundige regel die veelzeggend is: ‘leer de kinderen spreken en leer zelf zwijgen’.
Tegelijkertijd betoogde hij dat op het spreken van kinderen ook ‘tucht’ moest worden uitgeoefend: ‘Wat gezegd wordt, moet duidelijk, helder worden uitgesproken. De school bereidt zoodoende niet alleen voor tot goed spreken, maar zij voert tevens de strijd tegen traagheid en nalatigheid, gedachteloosheid, verstrooiing en zinloos geklets.’ Tucht was echter niet altijd het recept voor het aanleren van een goede uitspraak.
Continuïteit
Alindo’s schoolplaten zijn uit de klaslokalen verdwenen. Tegenwoordig verschijnen afbeeldingen op een digibord of in digitale lesmethoden. Toch is het uitgangspunt nauwelijks veranderd. Kinderen leren spreken door te kijken, te benoemen en hun ervaringen te delen met anderen. De geschiedenis van het spreekonderwijs laat zien dat deze vaardigheid niet vanzelf ontstaat. Elke nieuwe generatie leerlingen moet opnieuw worden ingewijd in het verwoorden van wat zij zien, denken en beleven.
Stotteren en stamelen
Dat niet alle leerlingen even goed konden meekomen, was in de tijd van pedagoog Geluk al wel bekend, maar slechts mondjesmaat onderwerp van onderzoek. Rond 1900 ontstond de studie der paedologie: het wetenschappelijk bestuderen van de ontwikkeling en het gedrag van kinderen. Leerlingen met taalproblemen – struikelen over klinkers en medeklinkers of stotteren – konden individueel behandeld worden, zo bleek.
In Voorbereidend onderwijs. De bewaarschool (1921) benadrukte J. Hobma, schoolhoofd te Utrecht, dat bij taalvorming ook de thuissituatie een centrale rol speelt en dat leerkrachten zich daarvan bewust moeten zijn. Bij veel kinderen die voor het eerst naar school gaan, is het spreken nog niet volledig ontwikkeld. ‘[…] in 't bijzonder geldt dit natuurlijk voor leerlingen uit de zogenaamde volksbuurten,’ aldus Hobma.
Onderwijzeressen moesten zich hiervan bewust zijn. Hobma adviseerde bovendien dat bij afwijkende uitspraken een deskundige kan worden geraadpleegd: ‘'t Is de leeftijd, waarop nog 't best kan worden voorkomen, wat later in 't afkeren ontzaglijke moeite kost, en in 't leven vaak een zeer verdrietige, belemmerende factor wordt, als in de zeer jonge jaren niet met tact wordt ingegrepen.’
Praktijk spreekonderwijs
Illustrator Adri Alindo, pseudoniem van Adriana Palingdood (1905–2001), ontwierp afbeeldingen voor school- en kinderboeken en werkte ook als mode-illustrator. Haar omgevingsplaten tonen heldere kleuren en moderne kleding. Alindo maakte deze platen voor de leesmethode Eigen taal (1931) – ‘vrij taalonderwijs op individueelen grondslag’. Naast lezen en ‘stellen’ (tekstjes schrijven) maakte ook ‘spreekonderwijs’ deel uit van deze methode: kinderen moeten zich kunnen uiten in mondelinge taal.
Zeker de allerjongsten in de ‘aanvangsklas’ hebben schroom om in het openbaar te spreken. T. Gielstra, auteur van Eigen taal, merkte hierover op: ‘En toch zijn die daar in de schoolbanken zwijgzame kinderen dezelfde, die straks moeders oren doen tuiten van al het nieuwe, dat ze beleefden: toch blijken diezelfde leerlingen wel van de tongriem gesneden, als ze onderling kunnen babbelen over datgene, wat hun belangstelling trekt.’
‘Spreekvrees’ verdwijnt vaak snel als de kleurrijke omgevingsplaten tevoorschijn worden gehaald. Leerlingen vertellen wat ze zien, vaak verbonden met hun eigen ervaringen. ‘De hond is bang van de trein, hij blaft hard.’ Of: ‘Neeltje zwaait met haar zakdoek naar Piet, die in de trein zit.’
Het voordeel van het ‘individueel systeem in klasseverband’, aldus Gielstra, is dat het ‘de meer-ontwikkelden niet remt, noch de minderbegaafden hun minderwaardigheid doet voelen. Daar het allen interesseert, activeert het ook allen. Ongemerkt profiteert de zwakkere van den sterkere.’
Alindo’s omgevingsplaten waren bij uitstek geschikt om kinderen aan het praten te krijgen. De onderwijzeres moest daarbij op de achtergrond blijven. Als een plaat voor het bord hangt, dan is het zaak ‘systematisch vragen’ en ‘schoolse dwang’ te vermijden, aldus Gielstra.
Kinderen zijn dol op plaatjes, vooral wanneer er herkenbare situaties op staan. Spraakonderwijs werd zo een spel: enthousiast vertellen wat je ziet en geduldig luisteren naar wat de ander zegt.
Jacques Dane is hoofd onderzoek en conservator van het Nationaal Onderwijsmuseum.
Bronnen
Minder leerlingen uit groep 8 kunnen een gesprek op gang houden. Website NOS (4-12-2025)
Peil. Mondelinge taalvaardigheid einde basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs 2023-2024 (Inspectie van het Onderwijs, december 2025).
Jacques Dane (2015). ‘”Het eigen geweten der menschen”. Christendom en openbaar onderwijs volgens Jan Geluk (1835-1919). In: John Exalto en Gert van Klinken (red.). De protestantse onderwijzer. Meinema: Zoetermeer, blz. 47-74.
Jacques Dane (2006). ‘”Pedologie”: de wetenschap van het kind’. In: Marjoke Rietveld-van Wingerden (red.). Een buitengewone plek voor bijzondere kinderen. Driekwart eeuw kinderstudies in het Paedologisch Instituut te Amsterdam (1931-2006). Zoetermeer: Meinema, blz. 15-26.
Richard Schoonderwoerd (2009). ‘Achter de schoolplatene van Adri Alindo’. In: LESSEN. Periodiek van het Nationaal Onderwijsmuseum 4 (nr. 4/december 2009) blz. 18-22.
Richard van Schoonderwoerd (2003). ‘Adri Alindo’, In: Lexicon van de jeugdliteratuur (1982-2014).
Dit artikel is een bewerking en actualisering van: Jacques Dane (2022). ‘Spreekonderwijs door de jaren heen’. In: Praxisbulletin 40 (oktober 2022), blz. 17-19.