Juist in de eerste vijf kinderjaren leveren investeringen het meeste op. Niet alleen aandacht voor de gezondheid, maar ook voorlezen, vertellen, samen liedjes zingen – het stimuleren van taligheid – zijn cruciaal: wat in deze periode wordt opgebouwd, werkt door in het verdere leven en vertaalt zich in winst voor zowel het individu als de samenleving.
Deze vroege investeringen vergen aandacht en tijd. Ze verkleinen de kans op latere instroom in jeugdzorg en gezondheidszorg en beperken het beroep op sociale voorzieningen. De beste investering voor kinderen ligt dan ook in de kwaliteit van hun eerste vijf levensjaren.
Maar wat is de winst van voorlezen?
30 miljoen woorden
Voorlezen is, in combinatie met vertellen, samen liedjes zingen en praten, belangrijk voor de taalvaardigheid. Een kind groeit op in een wereld van woorden die het zich stapsgewijs eigen maakt; dit is afhankelijk van wat het thuis en in de opvang hoort en met wie het spreekt. De verschillen in taalontwikkeling tussen gezinnen wordt de ‘kloof van 30 miljoen woorden’ genoemd: uit onderzoek, verricht in de jaren negentig van de vorige eeuw, bleek dat kinderen uit ‘taalrijke’ gezinnen in de eerste vier levensjaren 30 miljoen woorden meer hebben gehoord dan kinderen uit ‘taalarme’ gezinnen.
Deze woordenkloof moet niet al te letterlijk worden genomen: zij verwijst naar het verschil in interactie met ouders en opvoeders waarin kinderen opgroeien. Juist die wisselwerking – samen kijken in een prentenboek, benoemen wat een kind aanwijst, reageren op klanken en gebaren, antwoorden geven op vragen – geeft betekenis aan woorden.
‘Voorlezen belangrijk voor de taalvaardigheid’
Sociaaleconomische en -culturele omstandigheden spelen hierin een rol. Niet alle ouders en opvoeders beschikken over dezelfde mate van (vrije) tijd, financiële middelen (de aanschaf van prentenboeken is een kostbare zaak) en pedagogische vaardigheden om een talige omgeving – spreken, luisteren, reageren, voorlezen – te bieden.
Voorlezen, en in het kielzog daarvan leren spreken, is veel meer dan een pedagogische handeling: het is een investering die de voorwaarde schept om later taal eigen te maken. Het doel is dat kinderen zich als volwaardige volwassenen in de wereld kunnen bewegen: personen die zelf doordachte keuzes maken, in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien en zelfstandig beslissingen kunnen nemen. Het draait, in één woord, om zelfredzaamheid.
Voorlezen als medicijn
Hoe nieuw is dit? Vanuit het perspectief van de opvoedings- en onderwijsgeschiedenis zou je kunnen zeggen dat onderwijs – waarin het aanleren van taal een van de hoofddoelen is – al eeuwenlang geldt als ‘medicijn tegen onwetendheid', zoals de pedagoog, filosoof en theoloog Jan Amos Comenius (1592-1670) het formuleerde. ‘De school die geheel aan haar doelstelling beantwoordt, is een werkplaats van humaniteit; ze verlicht het verstand van de leerlingen door de schittering van kennis.’ Met deze woorden formuleerde Comenius een visie op onderwijs die nog altijd actueel is.
In turbulente tijden als de onze, waarin ongefundeerde meningen zich als waarheden presenteren, benadrukte hij het belang van taal, kennis en uitwisseling. De vragen die hem bezighielden – waar gaan we heen en hoe kunnen mensen in vrede samenleven – zijn van alle tijden. Comenius’ antwoord was even eenvoudig als verstrekkend: onderwijs. Het aanleren van taal en het verwerven van gestructureerde kennis beschouwde hij van levensbelang. Wie leert lezen, krijgt toegang tot die kennis en ontwikkelt het vermogen om de ander te begrijpen en te accepteren. Lezen is geen doel op zich, maar een middel om het verstand te verlichten en de mens (moreel) te vormen.
Tegen de achtergrond van Comenius’ eigen droevige ervaringen – hij leefde in een tijd van religieuze conflicten en verloor vrouw en kinderen aan de pest – krijgt zijn streven extra gewicht: alleen via taal en kennis kan de basis worden gelegd voor wederzijds begrip. In zijn Didactica Magna (Grote onderwijsleer, 1657) werkte hij dit uit in een onderwijssysteem dat erop gericht was iedereen – rijk en arm, jongens een meisjes – te laten delen in die ontwikkeling: geef kinderen klassikaal onderwijs en zorg ervoor dat leerkrachten het plezier in leren bevorderen.
Comenius’ ideeën werden opgepakt door de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (1784), een nationale vereniging die zich inzette voor de verheffing en vooruitgang van samenleving en individu. Belangrijke doelstellingen waren verlichting van het ‘gewone’ volk door kennisverspreiding en onderwijsvernieuwing. Het Nut formuleerde drie basisvakken, die tot op de dag van vandaag gelden: rekenen, schrijven en taal (lezen, spreken). Voor het taalonderwijs gaf ’t Nut schoolboeken uit en promootte schoolbibliotheken.
‘Zelfontwikkeling en zelfredzaamheid van levensbelang’
Het aanleren van taal zou je als een veelomvattend ‘verdienmodel’ kunnen zien. Door taalbegrip en kennisverwerving leer je de wereld en je medemens beter kennen en dat draagt, aldus Comenius, bij aan een wereld waarin burgers vreedzaam met elkaar omgaan. Lezen is, aldus het Nut, onderdeel van zelfontwikkeling en het bekwamen in zelfredzaamheid; beide zijn van levensbelang om vooruit te komen in de wereld en een goede baan te krijgen waarmee je je hoofd financieel boven water kunt houden.
Heerlijke leesuurtjes
Een ander, minder op een economisch verdienmodel gebaseerd voordeel van lezen, is dat het ook plezier brengt. Pedagoog Jan Ligthart (1859-1916) wist dat al. Vechtende jongens en kibbelende meisjes vergaten hun geschillen als Ligthart met zijn mooie stem voorlas: ‘O, die leesuurtjes, die heerlijke leesuurtjes. Ze geven zoo’n weldadige stemming van eensgezindheid. Door het stilvredige, dat dan de atmosfeer der klasse vervult, wekken ze een gevoel van saamhoorigbeid.’ Ze vergeten hun geschillen ‘zóó geheel, dat ze aan ’t eind van een uur malkaar met […] sympathieke oogen aankijken en zeggen: „mooi hè!”’
Jacques Dane is hoofd onderzoek en conservator van het Nationaal Onderwijsmuseum. Dit artikel is een bewerking van een lezing die hij gaf op een thema-avond over De toekomst van het voorlezen, georganiseerd door de Stichting Voorlezen op 20 november 2025 in het Nationaal Onderwijsmuseum te Dordrecht.
Bronnen
Jan Amos Comenius (2009; oorspr. 1632). De moederschool. Over de vorming en opvoeding van het jonge kind. Naarden/Rotterdam: Comenius Museum/Nationaal Onderwijsmuseum. Vertaald en bezorgd door Maud Arkesteijn-van Willigen en Els Ruijsendaal.
Comenius. Onderwijsvernieuwer. Themanummer LESSEN. Periodiek van het Nationaal Onderwijsmuseum. 5e Jaargang, nummer 1, maart 2010.
James J. Heckmann (2012). ‘Invest in early childhood development: Reduce deficits, strengthen the economy’. The Heckman Equation.
Het NUT. Voortrekkers in de samenleving. Themanummer LESSEN. Periodiek van het Nationaal Onderwijsmuseum. 4e Jaargang, nummer 1, maart 2009.
Jan Ligthart (1925 [1919]). ‘Woensdagmiddag-lectuur’, in: Over opvoeding. Tweede bundel. Groningen/Den Haag: J.B. Wolters, blz. 112-124.
Alberto Manguel (2005 [1999]). Een geschiedenis van het lezen. Amsterdam: Ambo. Hoofdstuk ‘Voorgelezen worden’, blz. 133-148.
Wilna Meijer (2025). Wat jonge kinderen echte lezers maakt. Amsterdam: AUP. Hoofdstuk 3, ‘Voorlezen’, blz. 42-52.