Het lijkt een nieuw inzicht, een noodzakelijke correctie op decennia van verwaarlozing. Maar wie de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs kent, weet: dit beleid is niet nieuw. Het is een herhaling van eerdere aanbevelingen, ooit verankerd in wetgeving, later vergeten of afgeschaft – vaak onder het mom van efficiëntie of bezuiniging.

Al in de Lager Onderwijswet van 1920 werd bepaald dat gemeentebesturen geld beschikbaar moesten stellen voor de inrichting van schoolbibliotheken, op zowel openbare als bijzondere scholen. Het idee was helder: bevordering van leesvaardigheid diende de kansengelijkheid en de vorming van de burger. De motivatie van toen verschilt nauwelijks van die van nu.

Stadsbibliotheek, circa 1930 - Leerlingen lenen boeken. De bibliothecaresse registreert de titels in een uitleenboek. Op de achtergrond zijn boekenrekken zichtbaar. Deze opname toont enerzijds de praktische gang van zaken bij het uitlenen van boeken en anderzijds hoe onderwijs en bibliotheekwezen nauw met elkaar verweven waren. Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht 

Het Nut als wegbereider

De kiem voor het denken over leesbevordering in het onderwijs werd al in 1784 gelegd, met de oprichting van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Deze burgerlijke vereniging beschouwde lezen, schrijven en rekenen als fundamentele vaardigheden voor deelname aan een snel veranderende maatschappij. Schoolbibliotheken hoorden daar nadrukkelijk bij. De onderwijswetten van 1801 en 1806 adviseerden het oprichten ervan aan, zij het facultatief. Maar de gedachte dat kinderen toegang moesten hebben tot boeiende, begrijpelijke boeken buiten het curriculum, was in pedagogische kringen al vroeg gemeengoed.

Brug naar de wereld

Pedagoog Jan Geluk beschreef in 1882 de schoolbibliotheek als ‘een brug tusschen de school- en de volksliteratuur’. Een goede bibliotheek verruimde volgens hem niet alleen de geest van het kind, maar kon ook een beslissende invloed uitoefenen op het latere leven. ‘Het eerste boek […] dat op de ziel des kinds een diepen indruk maakt,’ zo schreef hij, ‘roept dikwijls een keerpunt in zijn leven te voorschijn.’ In enkele pedagogische stellingen benadrukte hij het vormende karakter van lectuur: niet alleen taalontwikkeling, maar ook morele en esthetische sensibiliteit worden ermee gevoed.

Toch blijkt uit een rapport van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap uit 1884 dat schoolbibliotheken eerder uitzondering dan regel waren. De meeste gemeenten stelden geen geld beschikbaar voor de aankoop van boeken, zeker niet op het platteland. Onderwijs was vaak een sluitpost op de begroting; boeken voor thuisgebruik al helemaal.

Leesplezier

In de praktijk werd het belang van leesplezier echter breed erkend. Schrijvende onderwijzers als Jan Ligthart, Hindericus Scheepstra en W.G. van de Hulst schreven begin twintigste eeuw speciaal voor de jonge lezer verhalen die leesplezier centraal stelden. Niet ingewikkelde morele verhandelingen, maar spannende, humoristische verhalen – door-ren-boekjes – stimuleerden de intrinsieke motivatie van kinderen om te lezen. Voor de pedagogiek betekende dit een verschuiving: lezen werd niet langer alleen gezien als een middel tot kennis, maar als een vorm van verbeelding, identificatie en zelfontwikkeling.

Van de Hulst maakte bovendien een belangrijk onderscheid tussen kennisoverdracht en (verhaal)beleving. Volgens hem moest bijvoorbeeld een Bijbelse vertelling niet worden onderbroken door kaarten of wandplaten: het ging om de sfeer, de verbeeldingskracht. Deze gedachte is fundamenteel voor elke benadering van leesbevordering: boeken moeten kinderen meeslepen, niet afschrikken.

Terugkeer van oude gedachte

Het is ironisch, maar niet verwonderlijk, dat het idee van de schoolbibliotheek decennialang werd verwaarloosd, onderhevig aan politieke grillen, economische schaarste en een door kortzichtige managers gedomineerd onderwijsklimaat waarin ‘lezen voor de lol’ al snel als inefficiënt gold. Toch is er hoop. De hernieuwde aandacht voor schoolbibliotheken, zoals bepleit door Mariëlle Paul, markeert een omslag. Het is niet alleen een investering in boeken, maar ook in kinderen: hun taalvaardigheid, hun empathisch vermogen, hun vermogen tot abstract denken en kritisch oordelen.

De geschiedenis leert ons dat onderwijsvernieuwing zelden écht nieuw is. Ideeën als leesplezier, zelfontplooiing en de schoolbibliotheek zijn oude fundamenten die met enige regelmaat opnieuw moeten worden herontdekt. Laten we daar dan ook naar handelen: schoolbibliotheken zijn geen luxe of bijzaak, maar een onmisbaar onderdeel van de vorming van jonge mensen. Ze zijn, in de woorden van pedagoog Geluk, vaak ‘van beslissende invloed op ’t geheele volgend leven der leerlingen’.

In een tijd waarin kinderen worden geconfronteerd met digitale versnippering, sociale druk en complexe maatschappelijke uitdagingen, biedt het boek – via de schoolbibliotheek – nog altijd een stille, maar krachtige weg naar de volwassenheid.

Jacques Dane is hoofd onderzoek en conservator van het Nationaal Onderwijsmuseum.