‘Het lijkt me geen goed idee als je in een joggingpak komt,’ begint Pippi Bastiaansen – stijl blond haar, gouden blous met pofmouwen, ronde oorbellen en gestifte lippen – terwijl ze voor het presentatiescherm heen en weer loopt. Een jongen in een zwarte trui proest het uit. ‘Er loopt níémand in een bloesje rond op deze school,’ reageert hij verontwaardigt. ‘Effe serieus. Geen trainingspak alsjeblieft. Geloof in je verhaal en wees goed voorbereid, dat betekent ook: volle zinnen maken. Het zijn maar negen minuten van je leven.’ 

Pippi herinnert de derdejaarsleerlingen eraan hoe ze zich tijdens het aankomende debat het beste kunnen presenteren. Daarna legt ze de focus op vandaag. De komende drie kwartier oefenen ze met het formuleren van een goed argument bij de stelling: Nepnieuws over het klimaat op social media is een probleem. De leerlingen beginnen met een mindmap over klimaatverandering en vullen daarna een werkblad in, waarop ze aangeven of ze voor of tegen zijn en waarom. ‘Heeft iemand een pen nodig?’ vraagt Pippi, terwijl ze in haar Nijntje-etui rommelt. ‘Ik heb er twee.’

Duizend euro winnen

Later, als Pippi na de les op een van de witte bureautafels wipt en een slok uit haar donkerpaarse koffiebeker neemt, vertelt ze dat de stelling tijdens het eindexamendebat luidt: Is nepnieuws op social media een probleem? ‘Ik heb daar “over het klimaat” aan toegevoegd. Dat is wel pittig voor ze; niet iedereen in de klas weet precies waar het dan over gaat. Maar ik denk dat ze dit aankunnen en ik wil ze uitdagen. Sommige docenten vinden het prima als vmbo-leerlingen de drie basisregels van debatteren kennen, maar ik neem ze serieus en wil ze het vertrouwen geven dat ze best meer kunnen.’

Dus herhaalt ze in de les: ‘Mo, je kunt echt een 8,5 halen voor het debat als je je best doet’ en kijkt hem aan met een zelfverzekerde lach op haar gezicht. ‘Valt er iets te winnen dan?’ vraagt een klasgenoot. ‘Ja, duizend euro! Dan kunnen we met zijn allen na afloop naar de Mac,’ lacht ze. 

De klas kijkt voor achtergrondinformatie naar een journaalitem over klimaatverandering en de betrouwbaarheid in de berichtgeving. Halverwege het filmpje loopt Pippi in stevige passen naar het whiteboard en kalkt er in grote letters op: 30 procent van de informatie op Instagram of TikTok klopt niet. ‘De NOS is een betrouwbare bron,’ voegt ze eraan toe. 

‘Serieus nemen en vertrouwen geven’

Vliegende kat

‘Wie is het eens met de stelling: Nepnieuws over het klimaat op social media is een probleem? vraagt Pippi na een korte denkpauze aan de klas. Het blijft stil. Schoenen schuiven over de vloer, ogen turen naar papier, iemand kiept zijn stoel naar achteren tegen de muur. ‘Wie is het oneens met de stelling?’ Er gaan handen de lucht in. ‘En waarom?’ 

- ‘Mensen moeten zelf kunnen zien of informatie op internet nep is. Als je een vliegende kat ziet, dan weet je toch dat het niet echt is,’ legt een leerling uit.

- ‘Eerlijk gezegd kan ik niet altijd zien of het wel of niet echt is,’ biecht Pippi op. ‘Jullie zijn opgegroeid met social media en weten dat misschien wel precies. Maar leg nog eens uit, waarom ben je tegen de stelling?’

- ‘Je kunt toch niet het weer veranderen? Allah bepaalt dat,’ zegt een ander.

- ‘Dat Allah het weer beïnvloedt is voor mij nepnieuws, want ik geloof niet in Allah,’ reageert Pippi. ‘Ik geloof in de wetenschap en dat we door ons gedrag te veranderen hier wat aan kunnen doen. Precies hier kan het debat over gaan. Er is een verschil tussen iets geloven vanuit godsdienst, en nepnieuws.’

- ‘Je praat echt onzin!’ klinkt het ineens van linksvoor. Pippi laat zich niet van de wijs brengen en gaat opnieuw het gesprek aan, op zoek naar een argument. Ze wil de jongeren leren om rustig het debat te voeren, ook al zijn ze het oneens met iemand. 

‘Leerlingen hebben veel bevestiging nodig’

Twee regels

In het gesprek na de les licht Pippi toe dat er bepaalde onderwerpen zijn die de leerlingen snel raken. Genderemancipatie bijvoorbeeld. En dus ook het klimaat. Dat komt door hun geloofsovertuiging, die weleens botst met de vrijheid van meningsuiting. ‘Als docent moet je dit nooit persoonlijk opvatten. De kunst is om gewoon rustig te blijven. Kijk, de afgelopen jaren werden deze leerlingen afgekeurd in het politiek dominante verhaal. Hoe Wilders over moslims spreekt en de behoefte aan strengere asielwetten, betrekken zij op zichzelf. In mijn les voelen zij zich gelukkig veilig genoeg om te zeggen wat ze willen. Dat mag ook. Er zijn maar twee regels: je mag niet discrimineren en je mag niet schelden met het k-woord.’

Hoewel de woorden ‘Je praat onzin’ wat ver gaan, is het geen discriminatie. De opvatting dat je zelf moet kunnen zien wat nepnieuws is, kan de leerling prima verwerken in een argument. ‘Het is wel belangrijk dat de kinderen het verschil leren tussen godsdienstovertuiging en vrijheid van meningsuiting. Al vraagt dat nog wat meer aandacht,’ meent ze. 

Prioriteitenlijst

Deze leerlingen hebben veel bevestiging nodig, vertelt Pippi. Vandaar de herhaalde complimenten aan de scholier over de haalbare 8,5, waar hij haar vlak daarvoor nog woordelijk aanviel. ‘Veel leerlingen doen stoer, maar zijn onzeker. Ze komen regelmatig uit onrustige thuissituaties.’ Pippi herkent dat je dan niet toekomt aan leren of dat leren binnen het gezin op ‘plaats 22’ staat van de prioriteitenlijst. ‘Toch is dit heel dankbaar werk op de lange termijn.’ 

Ze roept andere docenten op om de waarde van hun vak te blijven zien en te blijven onderzoeken waar leerlingen precies behoefte aan hebben. Om een alternatief te bieden voor het dominante maatschappelijke verhaal waarin sommige leerlingen opgroeien. ‘Dat is ook het doel van deze les en het debat: als de leerlingen zich goed kunnen verwoorden, komen zij krachtiger over in een samenleving met andersdenkenden.’

tekst