Scholen kunnen de bezetting vaak maar moeilijk rond krijgen. Het tekort aan onderwijzend personeel is groot. In De Staat van het Onderwijs 2026 staat dat er per 1 oktober 2025 in het po en (v)so een tekort was van 5.800 fte, 6,3 procent van de totale werkgelegenheid. De regionale verschillen zijn echter groot. Volgens de Onderwijsatlas primair onderwijs 2025 van het Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs was het lerarentekort in het po in de vijf grootste steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere) twee keer zo hoog als in de rest van Nederland.

Weerbarstig probleem

Voor jonge leraren is het misschien verrassend, maar er zijn niet altijd lerarentekorten geweest. Begin jaren negentig was er een overschot en in de jaren 1993-2025, de periode die ROA heeft onderzocht, wisselden goede en slechte periodes elkaar af. Sinds 2019 zijn er echter flinke tekorten. De verwachting is dat die nog zullen voortduren.

‘Vooruitgang geboekt, maar in kleine stapjes’

Het rapport van ROA heet dan ook Een kwestie van lange adem, een citaat van één van de 17 geïnterviewde onderwijsprofessionals en beleidsmakers. Daarnaast bestudeerden de onderzoekers vacaturedata van het CBS en de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van tweedegraadslerarenopleidingen op basis van de hbo-monitor van het ROA. Ook stelden ze een database samen met 72 beleidsmaatregelen tegen lerarentekorten in de onderzoeksperiode.

Tekorten aan leraren vormen een weerbarstig probleem waarvoor geen eenvoudige oplossingen zijn. Even een blik verse leerkrachten en docenten opentrekken om ze voor de klas te zetten, kan nu eenmaal niet. Leraren moeten eerst jarenlang worden opgeleid, hoewel de overheid in periodes van schaarste meer geneigd is onbevoegde leraren toe te laten. De arbeidsmarkt beweegt mee met de conjunctuur. Of leraren voor de klas willen staan, hangt niet alleen van het beroep leerkracht/docent af, maar ook van de beschikbaarheid en hoe aantrekkelijk andere beroepen op dat moment zijn.

Overheidsbeleid

De onderzoekers wijzen op het belang van goede monitoring van de onderwijsarbeidsmarkt en anticiperen op toekomstige lerarentekorten. Dan kunnen tijdig maatregelen worden genomen. Ze maken duidelijk dat de invloed van de salarissen en andere arbeidsvoorwaarden van leraren groot is. Bezuinigingen op onderwijs hebben lange tijd doorgewerkt op het imago van het beroep. Pas de laatste jaren is er na grootschalige protestacties verbetering gekomen in de arbeidsvoorwaarden voor leraren in het po en vo.

Sinds eind jaren tachtig heeft de centrale sturing wat meer plaats gemaakt voor de autonomie van de scholen en ook werkgevers en werknemers hebben wat meer ruimte gekregen. Sinds 1993 beperkten de maatregelen zich vooral tot de instroom, vanaf 2007 kwam er meer aandacht voor behoud van personeel. Geleidelijk gingen de maatregelen minder over één individu, bestuur, of stelsel, maar kwam er meer samenhangend beleid voor meerdere partijen. Dat werd versterkt met de invoering van onderwijsregio’s. Die kunnen mogelijk ook een rol spelen om de mobiliteit van leerkrachten en docenten te stimuleren en zo de verschillen tussen de tekorten bij scholen te verminderen.

Doelmatigheid

De auteurs van het rapport spreken van deels positieve effecten door het gevoerde beleid, maar dat was niet effectief genoeg om het lerarentekort op te lossen. Dat is een structureel probleem. Er wordt wel vooruitgang geboekt, maar in kleine stapjes. De onderzoekers concluderen dat het in het beleid ontbreekt aan samenhang. Hoe verhouden de verschillende maatregelen zich tot elkaar en wat dragen ze bij aan terugdringing van de lerarentekorten? Door de vele tijdelijke regelingen en het grote aantal betrokkenen is de uitvoering versnipperd. Scholen hebben bovendien door ‘stapeldruk’ in de regelgeving vaak onvoldoende tijd om nieuwe maatregelen goed uit te voeren, terwijl de hoge werkdruk onder leraren verdere professionalisering bemoeilijkt.

‘Effect afzonderlijke maatregel lastig te meten’

Ze schrijven dat het moeilijk is harde uitspraken te doen over de doelmatigheid van het beleid. De overheid neemt verschillende beleidsmaatregelen en daardoor is het moeilijk het effect van een afzonderlijke maatregel te meten. Daarnaast is er meer aandacht voor de beleidsvorming, dan voor de uitvoering van het beleid en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan. Van een deel van de maatregelen – denk aan een hogere instroom in de lerarenopleidingen of een hogere status van het beroep door betere salarissen – wordt het effect pas na langere tijd zichtbaar. Bij tijdelijke maatregelen, zoals subsidies, speelt bovendien dat tijdsdruk zorgt voor problemen in de uitvoering van beleid en het meten van de effecten.

Deltaplan

Het rapport wijst op het belang van een vaste koers in het arbeidsmarktbeleid, met consistente doelen voor de lange termijn. Daarbij is een integrale aansturing essentieel; die mag niet versnipperd worden in losse dossiers over bijvoorbeeld loonvorming, lerarenopleidingen, onderwijsregio’s of de beroepsgroep. Zoals de onderzoekers het formuleren: ‘Voor een consistent integraal beleid gericht op de lange termijn is het nodig om vanuit een duidelijke visie beleidsdoelstellingen te formuleren, handelingsmechanismen te doordenken, aandacht te hebben voor ongewenste neveneffecten en maatregelen systematisch te evalueren.’

Daar komt autonomie in de uitvoering bij. Leraren, schoolleiders en opleidingen moeten volgens het ROA niet slechts uitvoerder zijn, maar mede-eigenaar van het onderwijsstelsel. Ze pleiten dan ook voor versterking van de beroepsgroep van leraren en van de lerarenopleidingen.

Lerarentekorten zijn structureel, omvangrijk en ongelijk verdeeld. Het rapport pleit daarom voor een Deltaplan waarbij ook leraren, sociale partners en lerarenopleidingen betrokken zijn. In het Deltaplan moeten duidelijke doelen voor de lange en middellange termijn komen te staan met de bijbehorende beleidsinstrumenten. Ook moet er voldoende geld beschikbaar zijn. Het Deltaplan moet aandacht besteden aan de verschillen tussen scholen, de neiging van leraren om te blijven zitten waar ze zitten en de noodzaak de professionaliteit te vergroten. Een regeringscommissaris of Directie Lerarenbeleid bij het ministerie van OCW kan zorgen voor meer impact op het ministerie en in de Tweede Kamer.