Drievoudig snoer

Pedagoog J.H. Gunning Wzn. (1859-1951) was voor de Tweede Wereldoorlog een vurig pleitbezorger van het zogenaamde ‘drievoudig snoer’: de onverbrekelijke band tussen God, Nederland en Oranje. In de bundel De hechte band tusschen Vorstenhuis en Vaderland (1935) betoogde hij dat het nationaliteitsgevoel, vaderlandsliefde, ‘een van die trekken is, die men bij alle volken terug vindt’.

Zonder aarzeling noemde hij ieder kind – met zijn ‘van nature gevoelig, maar ook geloovig, hartelijk, vertrouwend’ kinderhart – een geboren nationalist. Het nationaliteitsgevoel zou, in Gunnings woorden, ‘een bestanddeel van het instinctieve gevoel van saamhorigheid zijn, dat de mensch met vele diersoorten gemeen heeft’.

Trouw aan Oranje

Gunning uitte felle kritiek op de a-nationale en zelfs antinationale houding van de sociaaldemocraten uit zijn tijd. Het niet meezingen van het Wilhelmus door veel kinderen – in de jaren dertig van de vorige eeuw een probleem in de ogen van de bekende pedagoog – zou een uitvloeisel zijn van deze onverschillige, verwerpelijke houding. Gunnings dwingende oproep aan het onderwijzend personeel en de ouders was duidelijk en eenduidig: ‘Geeft aan ’t Nederlandsche kind wat hem toekomt en onthoudt ’t hem niet: een opvoeding tot waarachtige, reine, onbaatzuchtige vaderlandsliefde, dat is tot dankbaarheid, plichtsbesef gemeenschapsgevoel, liefde voor en trouw aan Oranje.’

Dat het verdeelde en verzuilde Nederlandse volk zich ondanks de houding van bepaalde sociaaldemocraten – ‘de rooien’ – voor de Tweede Wereldoorlog tamelijk eensgezind rond het Huis Oranje-Nassau schaarde, was niet vanzelf ontstaan. De vraag is of nationaliteitsgevoel, vaderlandsliefde en Oranjeliefde aangeboren of aangeleerd zijn. Gunning gaf overigens zelf een antwoord op deze vraag: het draait om opvoeding. Dus aangeleerd. Maar hoe werkte dat?

Roedeldieren

De emotie die we ‘nationale identiteit’ noemen, ontstaat door het instellen van een historisch geconstrueerde traditie (een invented tradition), zoals Prinsessedag (1885-1890); omgedoopt in Koninginnedag (1891-2013) en nu Koningsdag geheten. Kinderen luisterden in de schoolbanken naar heroïsche verhalen over de historische Oranjes, die een belangrijke bijdrage hadden geleverd aan de Nederlandse natievorming. Op Wilhelmina’s verjaardag op 31 augustus droegen leerlingen een oranje sjerp en zongen ze uit volle borst het volkslied mee.

Psychologen zouden zeggen dat mensen ‘roedeldieren’ zijn, die zich op natuurlijke, aangeboren wijze aanpassen aan de opgelegde mores van de groep waar zij deel van uitmaken.

Oranjesprookjes

Vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw werd vaderlandsliefde bij scholieren ook opgewekt en aangeleerd door het uitdelen van zogenoemde Oranjeboekjes. Schoolkinderen kregen vanaf het einde van de negentiende eeuw op koninklijke hoogtijdagen Oranjeboekjes cadeau. In deze in grote oplagen geproduceerde kinderboeken werd de koninklijke familie voorgesteld als een ideaal huisgezin. Leerlingen kregen een spiegel voorgehouden: de leden van de koninklijke familie gaven het goede voorbeeld op school en thuis in de schoot van het gezin.

Of dit strookte met de (historische) werkelijkheid, deed voor de auteurs niet ter zake: de stichtelijke boekjes werden immers geschreven om vaderlandsliefde en bewondering voor de Oranjes aan te kweken. Een hagiograaf – een schrijver van heiligenlevens – is nu eenmaal geen historicus die zich kritisch over zijn bronnen buigt.

Een hagiografie schetst juist een geïdealiseerde werkelijkheid – ontdaan van scherpe of onaantrekkelijke menselijke kanten – en vermengd met een flinke scheut fictie. Met andere woorden, de boekjes waren sprookjes. ‘’t Leek wel een toverprinsesje, dat kindje in haar wieg van satijn: alles werd anders, alles werd nieuw. In lange, lange jaren was er niet zo’n grote vreugde in Nederland geweest.’

Toverprinsesje

Schoolhoofd W.G. van de Hulst (1879-1963) koppelde in zijn Oranjeboekje Den vaderlandt ghetrouwe (1938) de bijzondere koninklijke status van baby prinses Wilhelmina (1880-1962) aan een sprookje: het toverprinsesje dat het land had gered. Maar hoe dan?

Op 31 augustus 1880 was de vreugde in Nederland uitzinnig, omdat het er lange tijd naar uit had gezien, dat het Huis Oranje-Nassau zou uitsterven. Maar God had dat niet gewild: ‘Hij had nieuw leven gegeven. En de oude koning,’ zo schreef Van de Hulst over vader Willem III (1817-1890), ‘streelde het kindje over ‘t zijïge haar, als wilde hij het zegenen; zijn oude hart was van dankbare vreugde vol.’

Hoofdmeester Van de Hulst vergat overigens te vermelden dat één van de drie zonen van koning Willem III, Wilhelmina’s halfbroer kroonprins Alexander (1851-1884), op 31 augustus 1880 nog leefde en tot aan zijn dood officieel de wettelijke troonopvolger was. Van de Hulst noteerde enkele bladzijden later, in een bijzinnetje, dat de kleine Wilhelmina op vierjarige leeftijd ‘Kroon-prinses’ werd, omdat ‘Alexander, de zwakke prins, stierf’. Het is de vraag of het lezerspubliek dit niet geheel onbelangrijke feit indertijd is opgevallen.

Aanhankelijkheid

Waar het uiteindelijk om gaat, aldus de Groningse historicus E.H. Kossmann (1922-2003) in oktober 1992 tijdens zijn toespraak ter gelegenheid van het 12,5 jarige regeringsjubileum van koningin Beatrix, is dat de meerderheid van de bevolking de aanwezigheid van de vorst moet ‘ervaren als een vreugdevol, geruststellend, opbeurend element in een soms ondoorzichtig lijkend regeringssysteem’.

Het koningshuis, dat al generaties lang meegaat, werd in Kossmanns tijd nog gezien als een stabiliserende en integrerende factor. Waarschijnlijk niet zonder milde spot – de professor belichaamde indertijd de vleesgeworden ironie – merkte hij in aanwezigheid van de vorstin op: ‘Dank zij haar aanhankelijkheid aan het vorstenhuis kon de Nederlandse bevolking, hoe diep gespleten, verzuild en grillig soms ook, toch eensgezind langs een goed gebaand pad naar de toekomst voortschrijden.’

Die aanhankelijkheid werd in de schoolbanken aangeleerd. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om.

Jacques Dane is hoofd onderzoek en conservator van het Nationaal Onderwijsmuseum. 

 

Bronnen

Jacques Dane (2008). Ook prinsesjes gaan naar school. Nationaal Onderwijsmuseum/Uitgeverij Omniboek, blz. 20-23, 60-64.

Jacques Dane, 'Drievoudig snoer' is een relict uit de negentiende eeuw. In: Nederlands Dagblad (28-07-2007). 

Jacques Dane, Oranje | Verlangen naar een modelgezin. In: Trouw (15-08-2005). 

Jacques Dane (1996). De vrucht van Bijbelsche opvoeding. Populaire leescultuur en opvoeding in protestants-christelijke gezinnen, 1880-1940. Verloren, blz. 193-205.

Jacques Dane (1996). ‘Het ideaal van het koninklijke gezin in protestants-christelijke kinderboeken’. In: Nelleke Bakker & Pauline Schreuder (red.). Kind en cultuur in opvoeding en onderwijs. GION, blz. 236-245.

Johannes H. Gunning Wzn. (1935). ‘Onze jeugd en Oranje’. In: M.J. Leendertse, De hechte band tusschen Vorstenhuis en Vaderland. Scheltens & Giltay, blz. 150-154.

Eric J. Hobsbawm & Terrence O. Ranger (2023 [1983]). The invention of tradition. Cambridge: Cambridge University Press.

Ernst H. Kossmann (2007). ‘De betekenis van het koningschap voor Nederland 1890-1992’. In: E.H. Kossmann, Naoogst. Amsterdam: Bert Bakker, blz. 151-158.