Daarvoor moeten we terug naar de oorsprong van het begrip, naar de gezondheidszorg. Daar kwam dertig jaar geleden het begrip evidence-based medicine op. Dat leidde aanvankelijk tot veel discussie. Het evidence beest! Kookboekgeneeskunde! Maar gaandeweg werd de smalle benadering (beslissingen alleen op basis van bewijs) vervangen voor een bredere; het gaat om het integreren van expertise en ervaring met het wetenschappelijke evidence, waarbij wensen en verwachtingen van de patiënt een centrale rol spelen. Dus: beslissen op basis van drie bronnen van kennis: ervaring, bewijs, context. Het begrip werd steeds meer vervangen door het betere alternatief: ‘evidence-informed medicine’.
Met mijn medische achtergrond en jarenlange ervaring in het gezondheidsdomein stapte ik destijds de onderwijswereld binnen. Al snel herkende ik de discussies van enkele decennia geleden. Mijn voorspelling is dat we in het onderwijs hetzelfde patroon gaan zien. Na de aanvankelijke bezwaren, gebaseerd op een versmalling van het begrip, wordt het evidence-informed werken steeds meer gemeengoed in het onderwijs.
Dat betekent dat keuzes in het onderwijs steeds meer gemaakt zullen worden op basis van: ervaring van de onderwijsprofessional, evidence uit onderzoek, en de specifieke context waarin men zich bevindt. Dat is evidence-informed werken en dat doet niks af aan de ruimte en autonomie van de professional. Sterker nog: het versterkt die ruimte en autonomie alleen maar.
Waar baseer ik deze verwachting op? Recent onderzoek laat zien dat het onderwijs het in groten getale belangrijk vindt om evidence-informed te werken. Ook de bereidheid om zich te ontwikkelen op dit gebied is zeer hoog. Vier op de vijf schoolleiders weet wat evidence-informed werken inhoudt en drie op de vijf past het ook daadwerkelijk toe in de praktijk.
Belangrijke succesfactoren voor evidence-informed werken zijn enerzijds visie en steun van schoolleider en schoolbestuur, en anderzijds professionaliteit en samenwerking binnen het schoolteam. De onderzoekers bevelen dan ook aan op school een professionele leercultuur te bevorderen rond evidence-informed werken. Hier lijkt momentum te ontstaan.
Zo kreeg evidence-informed werken bijvoorbeeld een expliciete plek in het Masterplan Basisvaardigheden, wil het programma Ontwikkelkracht een beweging richting evidence-informed werken in gang brengen, en ontwikkelde het Vlaamse Leerpunt een nieuw model om scholen hierbij te helpen. Ook in wetgeving vindt het z’n weg, zodat onderwijskundige keuzes op scholen worden gemaakt op basis van actuele en relevante kennis uit onderzoek en de praktijk.
Wat geldt voor het onderwijsveld, geldt natuurlijk ook voor de Onderwijsinspectie. Ook wij proberen zoveel mogelijke evidence-informed te werken. Denk aan de aanpassing van de standaard Pedagogisch-didactisch handelen waarbij we wetenschappelijke inzichten over effectief lesgeven hebben benut. En het nieuwe onderzoekskader 2027 wordt – gebaseerd op de wet – nadrukkelijker getoetst aan werkveld én wetenschap. Wat we van het veld vragen, moeten we als toezichthouder zelf ook zijn: een lerende organisatie, met een professionele kwaliteitscultuur, waar evaluatie en bijsturen de norm is.
Evidence-informed werken betekent dus eigenlijk niets meer dan – naast je eigen kennis en ervaring – gebruik maken van kennis en ervaring die elders en eerder opgedaan is. Hoe logisch is dat! Dit geldt voor leerkrachten, schoolleiders en onderwijsbestuurders, maar het geldt net zo goed voor beleidsmakers en toezichthouders. Als iedereen dat doet, wordt evidence-informed werken een rode draad in het onderwijs in plaats van een rode lap.
Matthijs van den Berg is directeur Kennis bij de Inspectie van het Onderwijs
