Taalkundige Elma Blom heeft met NWO-subsidie onderzocht hoe kinderen tussen de twee en drieënhalf jaar werkwoorden leren gebruiken. Blom volgde zes peuters gedurende anderhalf jaar. Minimaal twee uur per week zijn van deze kinderen bandopnames gemaakt bij interacties met de ouders. Uit analyse blijkt dat hun taalontwikkeling een bepaalde volgorde aanhoudt. De kinderen maken eerst systematisch onderscheid tussen handelingen die zijn afgerond en handelingen die nog bezig zijn. Zo zegt peuter Matthijs: ‘Boer daan’, als hij een boertje heeft gelaten en ‘Ieke ook drinken’ als zijn zusje aan het drinken is. Vervolgens onderscheiden de kinderen handelingen die nog moeten plaatsvinden van handelingen in het hier en nu. Het onderscheid tussen heden en verleden komt daarna. Gedurende deze...

Benieuwd naar de rest van het artikel?

Word nu abonnee en krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen op Didactief, inclusief persoonlijk profiel om artikelen makkelijk te selecteren, delen en bewaren.