Is het nog van deze tijd dat ouders de mogelijkheid hebben een school te stichten volgens hun eigen religieuze, pedagogische of levensbeschouwelijke overtuiging? Ja, ik wil nog een stap verder gaan: het is een recht, onder andere vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. In Nederland is dat recht al ruim honderd jaar verankerd in de Grondwet. 
Het wetsvoorstel dat ter modernisering van schoolstichting voorligt, geeft ouders de ruimte ook op basis van een pedagogisch-didactisch concept een school te stichten. Dit vinden wij belangrijk, net als respect voor verschillende levensbeschouwingen.
Leerlingen zijn verschillend en hebben andere onderwijsbehoeftes, diversiteit in het scholenlandschap is daarom gewenst. Als een school rekening houdt met de eigenheid en identiteit van leerlingen, kunnen zij zich als individu ontwikkelen. Daarnaast is een door ouders gestichte school vaak een overzichtelijke organisatie met korte lijnen, waarbij ouders een rol in bestuur of intern toezicht vervullen. Deze menselijke maat draagt bij aan de verbinding tussen school, leerling en ouders.

Edward Moolenburgh, directeur VBS, vereniging van algemeen bijzondere scholen.

...maar er zijn grenzen...

Het is belangrijk dat ouders en leerlingen de vrijheid hebben om de school te kiezen die het best bij hun overtuiging past. Dat kan een keuze zijn op basis van godsdienst, maar ook op basis van levensbeschouwelijke of pedagogische visie. Er zit wel een duidelijke grens aan: als scholen die vrijheid misbruiken om kinderen onvrij op te voeden. We kunnen niet accepteren dat kinderen in Nederland leren dat vrouwen minderwaardig zijn of dat homoseksualiteit een ziekte is. Als kinderen zo geïndoctrineerd worden en als actief wordt aangestuurd op een parallelle samenleving, moet de overheid kunnen ingrijpen. Kinderen moeten op een school immers worden voorbereid om volwaardig mee te doen in onze mooie, diverse samenleving.
Artikel 23, de vrijheid van onderwijs, biedt ruimte om scholen te starten die kwalitatief onvoldoende onderwijs bieden en die kinderen onvoldoende voorbereiden op volwaardige deelname aan onze samenleving. De maatschappij is de laatste decennia sterk veranderd. De onwenselijke uitwassen zoals hierboven benoemd, moeten tot het verleden gaan behoren. Artikel 23 is voor de VVD niet heilig.

Rudmer Heerema, Tweede Kamerlid VVD.

...en wie bepaalt die?

Wie is eigenlijk de baas in het onderwijs? Minister, schoolbesturen, inspectie of leraar? Dit vroeg ik onlangs in een filmpje. Al snel kwam de discussie op gang op sociale media: ‘Het is tekenend dat je de schoolleiders niet noemt.’ ‘Ouders horen zeker in dit rijtje thuis!’ ‘Waar is de student?’ ‘Hoezo noem je leerlingen niet?’ Deze reacties laten de betrokkenheid zien van alle partijen. En dat is mooi.
En toch heeft de vraag van wie het onderwijs is, ook iets ongemakkelijks. Want doordat ouders een school kunnen oprichten die aansluit bij de manier waarop ze hun kinderen willen opvoeden, lijkt het alsof ouders over het onderwijs gaan. Terwijl scholen professionele bestuurders en toezichthouders hebben, de inspectie toezicht houdt op de kwaliteit en de overheid kerndoelen bepaalt .
Vorig jaar concludeerde de inspectie ook dat scholen met bijzondere onderwijsconcepten veelal hoger opgeleide ouders trekken en religieuze scholen vooral leerlingen met een migratieachtergrond. Toenemende segregatie is een zorgelijke ontwikkeling. GroenLinks wil een samenleving waarin we leren omgaan met verschillen. Dat vraagt dat we elkaar tegenkomen, ook op school.
Daarom moeten we nadenken over de vraag van wie het onderwijs is en daarin een nieuwe vorm vinden, waarin kansengelijkheid en elkaar tegenkomen centraal staan. En waarin de leraar professionele autonomie heeft. Binnen die kaders zal de vrijheid van onderwijs moeten opereren.

Lisa Westerveld, Tweede Kamerlid GroenLinks.

Dit artikel verscheen in Didactief, juni 2019, met gasthoofdredacteur Edith Hooge.