
De raad onderscheidt drie functies van toetsing: onderwijsleerfuncties, selectiefuncties en evaluatiefuncties. In de praktijk lopen die functies volgens de raad vaak door elkaar. Toetsen die bedoeld zijn om het onderwijsleerproces te ondersteunen, worden bijvoorbeeld ook gebruikt voor schooladvisering of kwaliteitsbeoordeling. Daardoor raken onderwijsleerfuncties op de achtergrond.
Volgens de Onderwijsraad is het juist nu belangrijk om de rol van toetsing opnieuw te doordenken, omdat scholen gaan werken met nieuwe kerndoelen en eindtermen. Die leggen meer nadruk op complexe vaardigheden, samenhang tussen leergebieden, burgerschap en digitale geletterdheid.
De raad waarschuwt dat functievermenging kan leiden tot een focus op meetbare opbrengsten en op dat deel van de leerdoelen dat toetsbaar is. Daardoor kunnen andere onderwijsdoelen, zoals mondelinge taalvaardigheid of ervaringsdoelen, minder aandacht krijgen. Ook kunnen selectiebeslissingen volgens de raad te smal worden onderbouwd.
De raad adviseert overheid en scholen daarom functievermenging zoveel mogelijk te beperken.
Belangrijkste aanbevelingen
- benut toetsen vooral voor onderwijs en leren;
- laat toetsen minder vaak meetellen voor rapporten of selectie;
- gebruik leerlingvolgtoetsen in beginsel alleen voor onderwijsleerfuncties;
- versterk het eigenaarschap van leraren bij toetsing;
- voer één doorstroomtoets van één aanbieder in;
- doe geen concessies aan de betrouwbaarheid van toetsen met een selectiefunctie;
- stel op scholen toetsingscommissies in die toezien op de kwaliteit van toetsing;
- gebruik naast toetsresultaten ook andere gegevens bij evaluatie van onderwijskwaliteit;
- laat de inspectie breed kijken naar de realisering van onderwijsdoelen.