Woensdag 17 april presenteerde de Inspectie van het Onderwijs weer haar jaarlijkse staat van het onderwijs. Ook dit jaar was de boodschap een sombere: 20% van de scholen scoort onvoldoende op de kwaliteit van basisvaardigheden.
Om dit probleem te helpen oplossen, roepen we beleid en politiek op om meer en beter gebruik te maken van kennis uit onderzoek. Eén van de plagen van ons onderwijs is te veel beleidsmaatregelen op de korte termijn. Te vaak wordt er op aannames gehandeld en worden er oplossingen gelanceerd die onvoldoende zijn doordacht. Dat zien we bijvoorbeeld in de laatste kamerbrief over de ‘Herijking sturing funderend onderwijs’ (5 april 2024; referentie 45220791). Ze bevat een uitgebreide opsomming van tal van ongelijksoortige vraagstukken die uiteindelijk gereduceerd worden tot een sturingsvraagstuk. De tegenvallende onderwijskwaliteit wordt genoemd als aangrijpingspunt voor een stelselwijziging, zonder dat de noodzaak daarvan op een gedegen manier is vastgesteld.
In de kamerbrief wordt als oplossing bijvoorbeeld het scheiden van de verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke opdracht van het onderwijs en de onderwijskwaliteit genoemd. Schoolbesturen zouden voor het eerste verantwoordelijk moeten zijn, en schoolleiders voor het laatste (de kwaliteit van het onderwijs). Maar zijn beide opdrachten te scheiden? En gaat dat werkelijk een oplossing bieden voor bijvoorbeeld het lerarentekort of de toenemende kansenongelijkheid? In de brief ontbreekt het aan een goede onderbouwing die recht doet aan de complexe werkelijkheid en rijke variëteit in en tussen onderwijsorganisaties. Met globale voorstellen als deze is de kans groot dat het onderwijs en de onderwijsorganisatie alleen nog maar meer beschadigd raakt.
Ook het onderzoek van de internationale Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling naar het gebruik van onderzoek in de Nederlandse onderwijsbeleidsvorming (OESO, 2024, p.7) en het onderzoek naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laten een onthutsend plaatje zien. Beleidsmedewerkers van het ministerie ervaren een gebrek aan tijd en prikkels om evidence-informed te werken, ze spreken over ‘aangeleerde hulpeloosheid’, (zelf)censuur en een rigide organisatiecultuur die vooral is gericht op reactief korte termijn handelen op geconstateerde problemen in plaats van proactief signaleren en oplossen (1).
Hoe komen we nu tot beter beleid?
Als wetenschappers weten we dat we er helaas zelden een kant en klare oplossing bestaat voor een beleidsprobleem. Een gekozen maatregel werkt ook vaak niet overal op eenzelfde manier. Dat betekent dat er voor het gewenste resultaat vaak oplossingen, passend bij elke individuele leerling, school of bestuur moeten worden gekozen. Een brede brugklas heeft bijvoorbeeld verschillende effecten voor verschillende groepen leerlingen (2), en dat impliceert dat een maatregel zoals deze uiteindelijk een politieke keuze is. De wetenschap kan helpen om tot een gedegen afweging te komen waarbij de mogelijke gevolgen van een dergelijk besluit voor verschillende type leerlingen meegenomen zijn.
Deze inzichten over hoe en waarom beleidsmaatregelen (al dan niet) tot verbeteringen leiden in verschillende contexten zijn waardevol om tot beter beleid te komen. Een genuanceerde analyse en discussie van geconstateerde problemen en mogelijke oplossingen biedt betere garanties voor duurzame en lange-termijn aanpakken die breed gedragen worden en effect hebben. Bovendien is zo’n aanpak niet meer dan rechtvaardig wanneer politieke bewindsvoerders ook van scholen verwachten dat zij ‘evidence-informed’ werken: ‘practice what you preach’.
Maar ook zou er een manier van werken moeten ontstaan: gebruik van kennis en het articuleren en toetsen van aannames over waarom een beleidsmaatregel tot verbetering zou leiden moet centraal staan, en aannames moeten beter getoetst en onderzocht worden. Voorbeelden van methoden die hierbij kunnen worden ingezet zijn ‘Science sparring’: beleidsmedewerkers en wetenschappers analyseren samen een beleidsprobleem, brengen beschikbare kennis in kaart en interpreteren die. De manier van werken kan bijdragen aan een cultuurverandering, en een betere, structurele inbedding van gebruik van onderzoek in beleidsvorming.
Het ‘Science for Policy’ initiatief in het Nederlandse ministerie van onderwijs, -gelanceerd in 2023- biedt een goede start, maar ook de politiek kan zich beter laten informeren alvorens over oplossingen te besluiten die grote consequenties hebben voor een veld dat al zwaar onder druk staat door grote tekorten. Nederland heeft een zeer rijke kennisinfrastructuur van kennisinstellingen, plan- en onderzoeksbureaus: maak daar gebruik van bij het ontwikkelen van beleid. Alleen dan komen we tot echte oplossingen en realistische beelden over de verwachtingen die we kunnen hebben van beleid.
Initiatiefnemers (in alfabetische volgorde): Melanie Ehren (VU) en Marlies Honingh (RU)
Mede-ondertekenaars (in alfabetische volgorde):
Iliass El Hadioui (EUR, VU), Paul Leseman (UU), Kristin Vanlommel (HU), Martijn Meeter (VU), Tijana Prokic-Breuer (UM), René van Schoonhoven (VU), Sabine Severiens (EUR), Lars Stevenson (RU), Rolf van der Velden (UM), Merel van de Wal (RU), Herman van de Werfhorst (EUI) en Inge de Wolf (UM).
Bronnen:
1) Groot, S., Slob, G. and Severijnen, F. (2022). Gedragsonderzoek evidentie onderbouwd beleid maken. D&B onderzoek.
2) Kennisrotonde-001-effecten-brede-brugklassen-uitwerking-literatuur-3.pdf (nro.nl)
3) Template Education Policy Perspectives (oecd-ilibrary.org)
4) Dawson-Amoah, M., Smith, S. L., O’Neal, D., Clay, I., Alonso-Morris, E. A., & Kho, A. (2023). Understanding the Education Policymaking Process in the United States. Encyclopedia, 4(1), 46-59.
| Dit is een ingezonden artikel, waarvoor de redactie niet verantwoordelijk is. Lees hier meer over ons beleid aangaande ingezonden stukken. |