‘Grote verschillen in onderwijsregio’s: kansarm kind woont vooral in Noord-Friesland,’ kopte de Leeuwarder Courant half mei. Het bericht vormde voor mij aanleiding voor Kamervragen. Al eerder stelde ik Kamervragen over vergelijkbare berichten uit Groningen, naar aanleiding van onderzoek van Anneke Timmermans aan de RUG. In beide gevallen bleken kinderen uit minder stedelijke regio’s vaker een te laag schooladvies te krijgen.
Uit eerder onderzoek van onder meer de onderwijsinspectie bleek al dat kinderen van lager opgeleide ouders vaker een te laag schooladvies krijgen en dat dit beduidend minder vaak naar boven wordt bijgesteld. Ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling wees op het belang van het schooladvies voor meer kansengelijkheid.
Ieder kind moet zeker zijn van een eerlijke start. Waar het ook woont, wie de ouders ook zijn. Door een te laag schooladvies dreigen veel kinderen bij voorbaat al op achterstand te worden gezet. Voor mijn initiatiefnota Gelijke kansen, een leven lang sprak ik de moeder van Djuri, die een te laag advies kreeg: ‘Achteraf denk ik: ze hebben hem niet goed gezien. Hij kreeg het advies vmbo-beroepsgerichte leerweg. Al heel snel stroomde hij op tot de theoretische leerweg, waar hij zijn eerste diploma behaalde. Vorig jaar slaagde hij voor zijn master aan de Universiteit Utrecht. In totaal heeft het hem zo’n vijf jaar vertraging opgeleverd.’
Alle kinderen moeten zeker zijn van het voordeel van de twijfel. Dat betekent natuurlijk niet dat ze boven hun niveau moeten worden geadviseerd, maar wel dat bij een hogere eindtoetsuitslag deze leidend zou moeten zijn voor het uiteindelijke schooladvies (ook als de eindtoets straks toch al meer gewicht zal krijgen). Ik pleit daarom voor het automatisch naar boven bijstellen van schooladviezen wanneer de eindtoets hoger uitvalt. Hiermee voorkom je het risico dat (onbedoelde) vooroordelen of de assertiviteit van ouders de doorslag geven, in plaats van het kunnen van het kind.
Kirsten van den Hul, Tweede Kamerlid PvdA.
De Kamervragen van Kirsten van den Hul komen voort uit een publicatie van het Fries Sociaal Planbureau (FSP) die de minister terecht zorgelijk noemde. In landelijke gebieden (in het bijzonder in een aantal gemeenten in Noord-Friesland) wordt behoudender geadviseerd; schooladviezen worden minder genereus bijgesteld.
De DUO-gegevens waar het FSP zich op baseert, leveren geen directe verklaring voor de regionale verschillen. Verklaringen worden veelal bij de ouders van de leerlingen gezocht: opleidingsniveau, druk en ambitieniveau. Met name dat laatste wordt veelvuldig genoemd, alhoewel het meest recente Nederlandse onderzoek waarin adviezen expliciet aan ambitieniveau zijn gerelateerd, leerlingen betreft die in 1999 een schooladvies kregen. Daarnaast kunnen er regionale, bestuurlijke en schoolse verschillen zijn in het gewicht dat gegeven wordt aan verschillende informatiebronnen over de leerlingen, bijvoorbeeld aan de eindtoets als tweede onafhankelijke gegeven. Dit laatste is een grotendeels onontgonnen onderzoeksterrein. Om tot concreet beleid te komen is het van belang verder uit te zoeken hoe regionale verschillen in schooladvisering ontstaan.
De minister wijst erop dat regionale verschillen bekend zijn uit eerdere publicaties over de provincies Groningen en Drenthe en dat schooladviezen in de regio relatief veranderlijk zijn in de tijd. Dit sluit aan bij recent onderzoek dat heroverwegingen en bijstellingen aanzienlijk aan verandering onderhevig zijn geweest. Ook relaties met kenmerken van leerlingen veranderen: overadvisering van allochtone leerlingen en meisjes is vrijwel verdwenen, terwijl het ouderlijk opleidingsniveau bepalender is geworden. Het blijft daarom belangrijk om (regionale) verschillen in schooladvisering jaarlijks te monitoren.
Uit de Kamervragen blijkt ook bezorgdheid over de kwaliteit van schooladviezen. Veel basisscholen en samenwerkingsverbanden gaan zorgvuldig met advisering om en hebben procedures ontwikkeld , al bevatten deze nog lang niet altijd concrete handvatten. Het vertrouwen in de kwaliteit van advisering kan mogelijk worden versterkt als scholen worden ondersteund om die procedures verder uit te werken en als zij voldoende gelegenheid krijgen om de kwaliteit van hun eigen schooladviezen structureel te evalueren.
Anneke Timmermans, onderwijsonderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Dit artikel verscheen in Didactief, september 2019.
Referenties:
de Boer, H., & van der Werf, M. P. C. (2015). Influence of misaligned parents’ aspirations on long-term student academic performance. Educational Research and Evaluation: An International Journal on Theory and Practice, 21(3), 232-257.
Inspectie van het Onderwijs (2016). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2014–2015. Utrecht: Auteur.
Oomens, M., Scholten, F., & Luyten, H. (2017). Evaluatie Wet Eindtoetsing PO. Tussenrapportage. Utrecht: Oberon.
Oomens, M., Scholten, F., & Luyten, H. (2019). Evaluatie Wet Eindtoetsing PO. Eindrapportage. Utrecht: Oberon.
Oosting, I., Kruijer, J., & Spruijt, R. (2018). Van basisschool naar voortgezet onderwijs. Assen: Trendbureau Drenthe
Timmermans, A. C., de Boer, H., Amsing, H. T. A., & van der Werf, M. P. C. (2018). Track recommendation bias: Gender, migration background and SES bias over a 20-year period in the Dutch context. British Educational Research Journal, 44(5), 847-874.
Van Ringelesteijn, R. (2019). De invloed van de adviesprocedure op de mate waarin basisscholen in noordoost Groningen dubbele schooladviezen geven, heroverwegen en bijstellen (Unpublished Master thesis). Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.