
'Bij de invoering van passend onderwijs is besloten tot de oprichting van een nieuwe overlegstructuur. In totaal hebben we 152 samenwerkingsverbanden (swv’s), die als taak hebben een passende plek te vinden voor iedere leerling. In de afgelopen jaren heb ik regelmatig swv’s opgezocht, en ik trof daar stuk voor stuk gepassioneerde mensen die met kennis van zaken en hart voor de leerlingen veel goed werk verrichten.
Maar we zien ook de andere kant: de financiële reserves bij de swv’s stijgen, inmiddels staat er 179 miljoen aan ‘bovenmatige’ reserves op de bank. Dit bedrag komt dus boven op de reserves die volgens OCW nodig zijn om risico’s op te vangen. Daar zijn vast redenen voor, maar het is lastig uit te leggen als we weten dat ook het aantal leerlingen dat thuis zit zonder begeleiding of onderwijs stijgt. Leraren en schoolleiders vertellen intussen over bureaucratie en stroperigheid. En na de oorspronkelijke daling stijgt ook het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs weer. Dit is inmiddels vergelijkbaar met de situatie van vóór de invoering van passend onderwijs.
Het lijkt me niet zo vreemd dat we daarom vraagtekens zetten bij de effectiviteit van swv’s. Tel daarbij op dat ieder swv een eigen bestuur heeft, soms met eigen personeel, een medezeggenschapsraad en raad van toezicht. Dat volgt logisch uit de gekozen structuur, maar het gevolg is: veel mensen zijn bezig met overleg en het regelen van hulp, terwijl er onvoldoende personeel is voor het géven van hulp en begeleiding in de klas. In de jeugdzorg zien we dit ook; inmiddels gaat jaarlijks een miljard naar coördinatiekosten, bij een enorm tekort aan hulpverleners.
Laten we voorkomen dat het onderwijs dit voorbeeld volgt. Daarom lijkt een onderzoek naar swv’s me wenselijk, om duidelijk te krijgen of dat echt de beste manier van samenwerken is.'
Lisa Westerveld, Tweede Kamerlid GroenLinks.
'Op dit voorstel heb ik drie reacties:
1. Hulde voor de volharding. Westerveld heeft als Kamerlid minstens vier keer eerder per motie verzocht om een onderzoek naar alternatieven voor samenwerkingsverbanden (swv’s). Die moties werden verworpen. Maar in 2019 werd een motie aangenomen, met haar handtekening, om te onderzoeken welke verschillende organisatiemogelijkheden er zijn om passend onderwijs zo goed mogelijk vorm te geven. Maar ook dat onderzoek is nog niet gedaan.
2. Geschiedenis. Toen besloten werd tot swv’s, werd in een paralleltraject besloten de bestuurlijke inrichting van Nederland flink overhoop te halen: vijf landsdelen inclusief waterschappen en grote gemeenten. Zo stond het in 2012 in het regeerakkoord. Voor passend onderwijs én in het openbaar bestuur zou een vergelijkbaar schaalniveau ontstaan, omwille van afstemming en samenwerking. De swv’s kwamen er wel, maar in het openbaar bestuur veranderde niets. Het gevolg is een lappendeken met invloedssferen van schoolbesturen, swv’s en gemeenten die flink door elkaar lopen. Dat maakt het complex.
3. Toekomst. Om het onderwijs voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften te financieren en te organiseren, is een behoorlijk schaalniveau nodig. Anders lukt het niet. Dat is ook de les uit andere landen. Maar wat moet dat schaalniveau zijn? Schoolbesturen zijn daarvoor te klein. En hoe moet dat schaalniveau zich verhouden tot de bestuurlijke inrichting op andere beleidsterreinen, zoals jeugdhulp, jeugdzorg, de participatiewet en maatschappelijke ondersteuning? Na de grote decentralisaties zijn deze ondergebracht bij gemeenten. Dat is nog geen onverdeeld succes. Sterker, er wordt alweer nagedacht om onderdelen weer te centraliseren. Dan is er nog de vraag of Nederland niet te klein is voor regionaal beleid: zie de coronacrisis. Kortom: Westervelds vraag is heel relevant, maar dan vooral in samenhang met de bestuurlijke inrichting op andere beleidsterreinen.'
Sietske Waslander, onderzoeker eindevaluatie passend onderwijs.
Dit artikel verscheen in Didactief, december 2020.