Onlangs besprak ik met een groep leraren, schoolleiders en bestuurders hoe je gezamenlijk kunt werken aan gelijke kansen en beter onderwijs. We zaten op een prachtige vmbo-school in Amersfoort. Er hingen nog wat leerlingen op en rond de school, maar de lessen waren afgelopen. In het lokaal waar wij zaten had iedereen er zin in. Aan ambitie ook geen gebrek: met onze unieke samenwerking zouden we voor leerlingen het verschil gaan maken.
Wie zijn de beste
schoolleiders
in jouw regio?
Maar hoe doe je dat, het verschil maken? Hoe maak je het onderwijs iedere dag een stapje beter? We wilden leren van wat er goed werkt, van succesvolle praktijkvoorbeelden en voorbeelden uit de wetenschap. Zo bespraken we het Onderwijskennis Netwerk Amsterdam (ONA), waar leraren en schoolleiders van elkaar en van de wetenschap leren. Dit netwerk wordt gevormd door een bijzondere groep leraren en schoolleiders, namelijk vakspecialisten die tot de besten in de stad behoren. Ze zijn een voorbeeld voor hun collega’s en voor andere scholen. Binnen ONA worden deze experts in staat gesteld niet alleen hun eigen klas en school, maar ook andere scholen te helpen verbeteren.
Deze vragen hoor ik vaak op scholen. Toch verraste me dit opnieuw. Zelf leer ik namelijk vooral door te leren van andere wetenschappers, met name van de toppers in hun vak. Zij zijn mijn helden, inspireren me en geven het goede voorbeeld. De gedachte dat iedere wetenschapper gelijk is, komt me niet alleen utopisch, maar vooral ook beangstigend over. Liever sta ik op de schouders van reuzen en lever vanuit daar mijn eigen bescheiden bijdrage, geïnspireerd op het werk van deze reuzen. Eigenlijk geldt dit voor al het vakmanschap, in de kunsten, politiek, bij leiderschap, in de zorg, et cetera. We leren in ons werk vooral van goede voorbeelden van vakgenoten.
Waarom dan toch de aarzeling in dat lokaal en op veel scholen? Mogelijk is de gelijkheidscultuur zo ver doorgeschoten dat er geen verschillen meer mogen bestaan. Maar misschien heeft de aarzeling te maken met iets anders. Om te kunnen leren van de toppers, moet je het vakmanschap niet alleen erkennen, maar ook herkennen. Schoolleiders moeten weten wie hun beste leraren zijn. En bestuurders moeten hun beste schoolleiders en beste scholen herkennen. In Amersfoort was er twijfel of de goede voorbeelden bekend waren. Herkennen we het vakmanschap wel voldoende? Een van de meest schokkende momenten van de afgelopen jaren was een bestuurder die een bijna zeer-zwakke school aandroeg als een van zijn beste scholen. Het is iets dat ik nog steeds niet goed begrijp. Dacht die bestuurder dat echt?
Het herkennen van vakmanschap is een eerste stap om tot verder leren en ontwikkelen te komen. Wie zijn de topleraren op jouw school? En wie de beste schoolleiders in jouw regio? Alleen door hun vakmanschap te herkennen, kunnen we van ze leren. Er zijn genoeg toppers en ze verdienen het om gezien te worden. Mijn ervaring is dat ze collega’s graag helpen in het versterken van hun vakmanschap. Dit zie ik bij ONA, in Amersfoort en bij andere teams en op scholen. Al besef ik dat mijn waarneming gekleurd is, omdat ik met de beste leraren en schoolleiders samenwerk. Want niet iedereen is gelijk. En dat is maar goed ook, anders zou het leren stoppen.
Inge de Wolf is bijzonder hoogleraar Onderwijssystemen aan de Universiteit Maastricht, directeur van Education Lab en werkzaam bij het NRO.
Dit artikel verscheen in Didactief, maart 2024.