De afgelopen jaren kwam ik in het onderwijs op talloze prikborden dezelfde cartoon tegen. Een vogel, aap, pinguïn, olifant, vis, zeehond en hond staan op een rijtje opgesteld voor een boom. Ze luisteren naar een menselijke examinator, die de dieren vanachter zijn bureau toespreekt: ‘Voor een eerlijke selectie moet iedereen hetzelfde examen afleggen: klimt u alstublieft in die boom’.
De boodschap van de cartoon is helder: hier is natuurlijk geen sprake van een eerlijke selectie. Olifanten, vissen, pinguïns en zeehonden zijn niet in staat om in bomen te klimmen, en hetzelfde geldt voor de meeste honden. Vogels kunnen ook niet klimmen, maar mogelijk voldoet fladderend en huppend de top bereiken bij dit examen ook. Alleen de aap kan deze test glansrijk doorstaan, met twee vingers in de neus. Iedereen precies hetzelfde examen afnemen lijkt misschien eerlijk, maar is dat niet wanneer een deel van de kandidaten nooit aan de eisen kan voldoen. De cartoon is een verbeelding van een bekende uitspraak die – naar het schijnt overigens ten onrechte – aan Albert Einstein wordt toegeschreven: als je een vis beoordeelt op zijn vermogen om in een boom te klimmen, dan zal hij zijn hele leven geloven dat hij dom is.
Het beeld appelleert aan ons rechtvaardigheidsgevoel: dit is niet eerlijk. Dat de cartoon zo vaak is uitgeknipt en opgeprikt, zegt iets over de herkenning die het beeld klaarblijkelijk oproept bij mensen die werkzaam zijn in het onderwijs: door iedereen gelijk te behandelen, krijgen leerlingen juist geen eerlijke kans. Ondanks die brede herkenning is het plaatje een mooie illustratie van de complexiteit van begrippen als kansengelijkheid en rechtvaardigheid. Het illustreert in het bijzonder de moeizame toepasbaarheid van zulke begrippen wanneer informatie over de context ontbreekt. Wat eerlijk of rechtvaardig lijkt in de ene situatie, is dat niet per definitie in een andere situatie. Wie een tijdje naar de cartoon kijkt, gaat zich bijvoorbeeld afvragen waarom er überhaupt wordt getoetst of deze dieren in de boom kunnen klimmen, en hoe we eigenlijk kunnen vaststellen of dat een eerlijke of oneerlijke vorm van selectie is. (…)

Leerlingen verschillen onderling op tal van manieren: ze zijn per definitie ongelijk. Sommige verschillen tussen leerlingen worden in het onderwijs aangemerkt als een relevante indicator van hun niveau of potentieel. Zulke verschillen worden doelgericht geïdentificeerd en geëxpliciteerd, door leerlingen te selecteren naar verschillende onderwijsniveaus en ze verschillend te diplomeren. Andere verschillen tussen leerlingen worden niet gezien als relevante indicator van hun kwaliteiten. Wanneer die verschillen van invloed zijn op de ontwikkeling en identificatie van hun niveau of potentieel, wordt getracht hun invloed te beperken of wordt geprobeerd het verschil door middel van onderwijs te verkleinen. In beide gevallen is de vraag nog allerminst beantwoord of een gelijke of ongelijke behandeling daarvoor het meest geschikt of rechtvaardig zou zijn.

Wat of wie moet er
bij kansengelijkheid
eigenlijk gelijk zijn?

Als het voor een imaginair examen in de dierenwereld al lastig is om te bepalen of er sprake is van gelijke kansen en van rechtvaardigheid – en in hoeverre het een het ander impliceert – is het niet verrassend dat deze begrippen zich ook in de dagelijkse onderwijspraktijk niet eenduidig laten toepassen. Want wat of wie moet er nu eigenlijk gelijk zijn om te kunnen spreken van kansengelijkheid? Waarop moet een eerlijke kans worden gemaakt? Is een gelijke behandeling ook een rechtvaardige behandeling, of moeten we juist ongelijk behandelen om eerlijke kansen voor iedereen te realiseren?

Iedereen is voor kansengelijkheid


Onderwijswetenschapper Christopher Jencks zette eens op een rijtje welke uiteenlopende interpretaties er worden gegeven aan het streven naar kansengelijkheid in het onderwijs. Hij liet zien dat sommigen kansengelijkheid gelijkstellen aan een gelijke behandeling, waarbij de een uitgaat van een gelijke behandeling voor iedereen in alle situaties, en de ander van een gelijke behandeling bij een gelijke inzet of gelijke prestaties. Anderen stellen het streven naar kansengelijkheid in het onderwijs juist gelijk aan een ongelijke behandeling, waarbij extra moet worden geïnvesteerd in leerlingen die achterblijven, of juist in leerlingen die het hardste werken en de beste prestaties neerzetten. Sommigen menen dat kansengelijkheid impliceert dat er bij achterstanden extra moet worden geïnvesteerd ongeacht de oorzaak van de achterstand, waar anderen vinden dat dit alleen geldt wanneer de achterstand voortvloeit uit omstandigheden waaraan een leerling aantoonbaar niets kan doen.

Jencks verzucht dat het in het licht van zulke uiteenlopende interpretaties niet verwonderlijk is dat het ideaal van gelijke kansen in het onderwijs op brede steun kan rekenen bij alle partijen, ongeacht hun soms zeer uiteenlopende maatschappelijke visie of politieke overtuiging: ‘Als kansengelijkheid kan betekenen dat middelen gelijk óf ongelijk verdeeld worden, dat het gepaard kan gaan met ongelijkheden die in het voordeel van de meer bevoordeelden of juist van de meer benadeelden kunnen uitpakken, en dat het relatieve gewicht van deze principes per situatie kan verschillen, dan is het niet verrassend dat de meesten (…) dit ideaal ondersteunen.’

Louise Elffers is lector Kansrijke schoolloopbanen in een diverse stad (HvA), onderzoeker bij Onderwijswetenschappen (UvA) en directeur van Kenniscentrum Ongelijkheid. Ook schreef ze De bijlesgeneratie.

Dit artikel verscheen in Didactief, april 2022.