Zijn dit terechte diagnoses, of heeft mijn neefje gewoon slecht onderwijs gehad? Ik vermoed het laatste. Dat zoveel kinderen op zijn school dyslexie (en dyscalculie) hebben, gaat er bij mij niet in. Oftewel, zoals een oud-collega van mij treffend verwoordde: ‘op sommige scholen maken ze dyslecten’.

Zo zijn er enorme verschillen tussen scholen in de percentages leerlingen met dyslexie-verklaringen. Dit wordt uitgebreid beschreven in een rapport uit 2019 (IvhO, 2019). In het basisonderwijs varieerden de percentages in de steekproef tussen de 0 en 18,5 procent. In het voortgezet onderwijs valt vooral op dat gemiddeld ruim 20 procent van de vmbo-basis en -kader leerlingen dyslexie heeft. 

Daarnaast valt op dat er veel dyslexie-leerlingen bij komen rond de overgang tussen primair en voortgezet onderwijs. In het eerste jaar op de middelbare school springt het percentage leerlingen met dyslexie van 7,5 naar 11,9 procent. Dit zijn zo’n achtduizend extra dyslexie-verklaringen, ieder jaar in de brugklas. Hoe kan dit? Is dit misschien aantrekkelijk voor deze kinderen? Mijn dochter vroeg tijdens de middelbare school in ieder geval regelmatig om een dyslexietest. Ze wilde dit graag, omdat ze dan extra tijd zou krijgen voor de toetsen en examens. Veel vriendinnen hadden dit gedaan. Nu leest ze (helaas) niet graag, maar ze heeft echt geen dyslexie. Ik snap hierdoor wel beter waarom met name (mondige) kinderen van ouders met een hbo- of wo-diploma een dyslexie-verklaring hebben. En dat dyslexie nauwelijks lijkt voorkomt bij kinderen met een migratieachtergrond (IvhO, 2019).

Uit nieuwsgierigheid deed ik voor deze column een online test, die aangeeft of je kind waarschijnlijk dyslexie heeft. Tot mijn schrik kwam ik erachter dat een zwakke lezer die op school begeleiding krijgt, altijd als ‘mogelijke dyslect’ uit deze test komt. Zelfs als je aangeeft dat je kind verder geen enkel probleem met lezen heeft. Zwakke lezers (de 10 procent laagste toetsscores) komen direct in aanmerking voor een officiële test en begeleidingstraject.

De hoge percentages dyslexie-leerlingen komen volgens mij omdat iedereen in Nederland belang heeft bij een diagnose dyslexie. De leerlingen en hun ouders, omdat ze dan meer tijd en speciale behandelingen krijgen. De organisaties die de testen doen en begeleiding bieden, omdat ze dan meer omzet hebben. En tot slot de leraren en hun scholen, omdat ze dan kunnen geloven dat de lage toetsscores aan de stoornissen van de leerlingen liggen (en niet aan hun eigen leskwaliteit).

Toch vind ik het belangrijk om wel een punt te maken van de overdiagnose van dyslexie en dyscalculie. Dit is om twee redenen. De eerste is dat het ‘t zicht ontneemt op het echte probleem, namelijk matige onderwijskwaliteit. De basisschool van mijn neefje was een vrolijke school, maar de leskwaliteit was er echt niet op orde. En de tweede reden is dat een diagnose voor de leerlingen zelf niet goed is. Het schaadt hun leerprestaties. Hattie (2023) laat zien dat leerlingen zonder label veel beter presteren (effectgrootte van 0,61). Dit komt onder andere doordat leerlingen zelf ook geloven dat ze niet kunnen lezen of rekenen. En hun leraren dit ook geloven. Dit heet  een ‘self-fulfilling prophecy’. Denk hier alsjeblieft eens aan als je een dyslexie-indicatie aanvraagt voor een leerling. 

Bronnen

Hattie, J. (2023) Visible Learning: The Sequel. A Synthesis of Over 2,100 Meta-Analyses Relating to Achievement. Routledge, Abingdon, pagina 223.

Inspectie van het Onderwijs (2019) Dyslexieverklaringen. Verschillen tussen scholen nader bekeken. Utrecht, IvhO.