Onderwijs was lange tijd een luxe. Het feit dat ons woord ‘school’ teruggaat op het Griekse woord voor vrije tijd (scholè) herinnert eraan dat paideia, de cultivering van het individu tot voortreffelijkheid (aretè), alleen beschikbaar was voor vrije mannen, en niet voor slaven, arbeiders of vrouwen. De afgelopen eeuwen kreeg onderwijs een emanciperende functie (zie kader). De neiging tot perfectionering van individuen steekt van tijd tot tijd de kop op (zie bijvoorbeeld recente ontwikkelingen rond character education).
Maar een van de opvallendste ontwikkelingen in onze tijd is de verschuiving van de aandacht naar de perfectionering van het onderwijssysteem als geheel. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar rond PISA, waar met man en macht wordt geprobeerd vast te stellen welk systeem het hoogste ‘scoort’ en welk land op basis daarvan kan claimen het beste onderwijssysteem te hebben. (Dat kleinere landen vaker in de top van dit soort ranglijsten terecht komen, is overigens deels een effect van het feit dat hele landen met elkaar vergeleken worden. Als de 5,5 miljoen inwoners van Finland met een selectie van 5,5 miljoen inwoners uit Londen of het Zuidoosten van Engeland vergeleken zouden worden, zou het plaatje er vermoedelijk al anders uitzien.)
Er zijn veel kanttekeningen te plaatsen bij deze ontwikkelingen, inclusief het feit dat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling buiten iedere democratische controle om opereert. Maar wat we niet mogen vergeten, is dat het streven naar een perfect onderwijssysteem voortkomt uit de idee dat ieder kind en iedere jongere – ongeacht wie ze zijn, waar ze wonen en waar ze vandaan komen – toegang tot goed onderwijs zou moeten hebben. Of nog nauwkeuriger geformuleerd: dat ieder kind en iedere jongere gelijke toegang tot goed onderwijs zou moeten hebben.
Tegen het ideaal van gelijke kansen is moeilijk wat in te brengen (al zullen er altijd elites blijven bestaan die vooral geïnteresseerd zijn in hun eigen kansen). Toch kleven er haken en ogen aan. Die hebben deels te maken met de praktische uitvoering en deels met de grenzen van de ambitie zelf.

Misvatting

Wat de uitvoering betreft, valt op dat de ambitie om goed onderwijs voor iedereen te creëren via een reeks kleine stappen tot nogal problematische gevolgen heeft geleid. Zo is de vraag naar een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs opgepakt als de vraag hoe we die kwaliteit kunnen meten. Dat meten heeft zich vervolgens vooral gericht op opbrengsten (learning outcomes) in plaats van op het onderwijs als geheel. Van de vraag welke opbrengsten gemeten moeten worden, is de aandacht snel verschoven naar welke opbrengsten gemeten kúnnen worden. En daarmee zijn de goede ambities van gelijke kansen verstrikt geraakt in de wereldwijde meet- en afrekencultuur, waar het er vaak niet meer om gaat of we meten wat we waardevol vinden, maar snel verleid zijn om waardevol te vinden wat we kunnen meten.
Deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan een aanzienlijke verschraling van het hedendaagse onderwijs. De nadruk op het meten van opbrengsten in een klein aantal vakken veroorzaakt in veel landen een beperkte visie op wat er in het onderwijs echt toe zou moeten doen: de verschuiving van brede vorming naar smalle scholing. En de idee dat we zulke opbrengsten zo effectief mogelijk zouden moeten produceren, heeft geleid tot de opvatting dat onderwijs een kwestie zou zijn van interventies die effecten genereren – een complete misvatting van de complexe dynamiek van het onderwijsproces en het werk van de leraar. Daarmee komt een eerste paradox in beeld: hoe perfecter het onderwijssysteem wordt, hoe trivialer datgene waar het in het onderwijs nog om lijkt te gaan.

Grenzen aan ambitie

Maar er is ook een probleem met de ambitie van gelijke kansen zelf. Dat werd bijvoorbeeld zichtbaar toen een onderwijs(onder)minister in Engeland een aantal jaren geleden stelde dat alle middelbare scholen zo goed zouden moeten zijn dat iedere leerling de kans heeft om op Oxford of Cambridge toegelaten te worden. Die ambitie klinkt vanuit het perspectief van gelijke kansen prima, ook omdat die kansen momenteel verre van gelijk verdeeld zijn.
De vraag is alleen wat er zou gebeuren als deze ambitie succesvol zou zijn. Stel dat iedere leerling van iedere middelbare school inderdaad met dezelfde hoogste cijfers zou slagen. Zou in dat geval de regering Oxford en Cambridge vijftig keer zo groot maken en alle andere universiteiten sluiten? Dat lijkt onwaarschijnlijk, ook gezien het recente voorstel van een Engelse onderwijsminister om universiteiten die te veel hoge cijfers uitdelen, daarvoor te beboeten. Dat alle studenten in dezelfde mate succesvol zouden kunnen zijn, lijkt voor die minister zowel onvoorstelbaar als onacceptabel te zijn, en vooral dat laatste is verontrustend.

Te hoog gegrepen

Deze voorbeelden laten zien dat het ideaal van gelijke kansen op veel steun kan rekenen, net als de idee dat het onderwijssysteem die kansen zou moeten bieden. Maar het laat ook zien dat het nog maar de vraag is of de samenleving het eventuele succes van die ambitie eigenlijk wel aankan. Is het niet eerder zo dat de samenleving, in ieder geval zoals die nu in elkaar zit, baat heeft bij ongelijkheid? Sterker nog, dat ze die ongelijkheid nodig heeft?
Dat verklaart misschien waarom er wereldwijd wel met gemak over gelijke kansen wordt gesproken, maar eigenlijk nauwelijks over gelijke uitkomsten. En dat terwijl het toch best voorstelbaar zou horen te zijn, als we echt in gelijke kansen geloven, dat alle leerlingen de kansen die ze krijgen in gelijke mate zouden weten om te zetten in gelijke uitkomsten. Er resteren dan nog wel wat praktische problemen, bijvoorbeeld dat het vuilnis nog steeds opgehaald moet worden, zelfs wanneer iedereen een first class degree van Oxford of Cambridge heeft. Maar een misschien nog wel groter probleem is dat de waarde van Oxford en Cambridge juist afhangt van het feit dat níét iedereen er toegelaten wordt en niet iedereen er met dezelfde hoge cijfers vanaf komt. En dat is de tweede paradox: gelijke kansen, maar eigenlijk niet voor iedereen.

Welke prijs betalen we?

Er zitten dus nogal wat haken en ogen aan het ideaal van gelijke kansen, en het is belangrijk die in beeld te houden. In de praktijk leidt de druk om het onderwijs zo perfect mogelijk te laten functioneren tot een aanzienlijke verschraling van het onderwijsaanbod en een aanzienlijke inperking van de professionele ruimte van leraren. Het is de vraag of we die prijs zouden moeten willen betalen. En de grotere, ongemakkelijke vraag: zijn we als samenleving wel echt geïnteresseerd in gelijke kansen? Of hopen we toch stiekem dat het niet zo’n vaart zal lopen en dat niet iedereen de geboden kansen succesvol zal weten om te zetten in gelijke uitkomsten?
 

Emancipatie door onderwijs

In de oudheid genoten alleen vrije mannen onderwijs. Dat veranderde pas met de Reformatie. Als iedereen de Bijbel mag lezen, komt de vraag op hoe we kunnen zorgen dat iedereen kan lezen: het thema van geletterdheid. De Verlichting brengt een verdere omslag, met de idee dat iedere mens voor zichzelf moet denken en dat in principe ook kan. Onderwijs krijgt de belangrijke taak om de ontwikkeling hiervan te bevorderen: het thema van kritisch denken.

Zo is onderwijs steeds minder een voorziening geworden voor enkelen die het toch al goed hebben, en wordt het steeds meer ingezet om iedereen de kans te bieden zijn leven zo goed mogelijk te leiden. Het gaat steeds minder om de perfectionering van de happy few, en steeds meer om emancipatie van iedereen. Vanaf halverwege de negentiende eeuw komt in veel landen bijvoorbeeld de leerplicht tot stand, een wat vreemde term voor wat we beter het recht op onderwijs kunnen noemen, met name bedoeld om kinderen uit de fabrieken weg te houden. Er gaan steeds meer publieke middelen naar het onderwijs. Vrouwen krijgen toegang tot alle onderwijsniveaus en de volwasseneneducatie ontwikkelt zich tot een belangrijke pijler van het educatieve gebouw. De opname van het recht op onderwijs in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) is, in zekere zin, de kroon op deze ontwikkeling.

 

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens:

Article 26.

(1) Everyone has the right to education. Education shall be free, at least in the elementary and fundamental stages. Elementary education shall be compulsory. Technical and professional education shall be made generally available and higher education shall be equally accessible to all on the basis of merit.

(2) Education shall be directed to the full development of the human personality and to the strengthening of respect for human rights and fundamental freedoms. It shall promote understanding, tolerance and friendship among all nations, racial or religious groups, and shall further the activities of the United Nations for the maintenance of peace.

(3) Parents have a prior right to choose the kind of education that shall be given to their children.

Gert Biesta is als hoogleraar verbonden aan Maynooth University (Ierland), de University of Edinburgh (Schotland) en aan de Universiteit voor Humanistiek. Biesta schrijft tweemaal per jaar een exclusieve longread voor Didactief.

Dit artikel verscheen in Didactief, juni 2020.