We moeten de groeiende kansenongelijkheid in het onderwijs nu écht gaan bestrijden. Dat bepleiten werkgevers, werknemers en deskundigen verenigd in de Sociaal-Economische Raad (SER) in het advies Gelijke kansen in het onderwijs (2021). En dat zij gezamenlijk de alarmbel luiden, is een serieus signaal, zegt voorzitter Mariëtte Hamer. ‘Al decennia discussiëren politici over de onderliggende dossiers, zoals kinderopvang en laaggeletterdheid, maar er gebeurt te weinig. En de problemen nemen alleen maar toe.’
Laat duidelijk zijn, leraren verwijt Hamer (tevens voorzitter van schoolbestuur Boor in Rotterdam) niets.
Ze benadrukt het met klem. Het probleem zit hem volgens haar veel meer in de inrichting van ons onderwijssysteem als geheel (ermee samenhangende problemen zoals armoede en woningmarkt nog daargelaten). Hamer: ‘Kansenongelijkheid in het onderwijs bestrijden vergt een cultuur- en structuurverandering. Het probleem begint al vóór de basisschool. We delen kinderen al jong in hokjes in: kinderopvang voor kinderen van werkenden, voorscholen voor kleintjes met een (taal)achterstand en peuterspeelzalen voor peuters van moeders die niet werken.’ Melanie Ehren vult aan: ‘Dat bepaalt mede naar welke basisschool ze gaan. Vaak is dat de school waar vriendjes heen gaan, zo begint segregatie.’
Melanie Ehren: ‘Segregatie begint al bij schoolkeuze.’ (Foto Eelkje Colmjon)
Heikel moment
Iedere overgang, of dat nu vve/po, po/vo of vmbo/mbo is, is een kwetsbaar moment en vereist goede begeleiding. Het zorgt er bovendien voor dat kinderen en jongeren elkaar minder ontmoeten. Als we de koe bij de hoorns willen vatten en bij de voorschoolse periode beginnen: dat ligt nu bij de gemeenten?
‘Investering in po
verdient zich in de
maatschappij terug’
Hamer: ‘Wij pleiten bij de SER voor een financieel toegankelijk aanbod van kinderopvang van twee dagen voor alle jonge kinderen. Het plan van de nieuwe coalitie om 95% van de kinderopvang voor werkende ouders te vergoeden is een eerste stap, maar nog niet voldoende. We willen dat om in aanmerking te komen voor de kinderopvangtoeslag de eis om te moeten werken komt te vervallen.’ Ehren: ‘Mee eens. Ook omdat een universele voorschool en onderwijs er mede voor zorgen dat we niet allemaal op ons eigen eilandje terechtkomen en blijven. Met elkaar naar school gaan is een belangrijke voorspeller voor de sociale cohesie in een samenleving.’
De huidige polarisatie onderstreept de urgentie alleen maar. Eén regeling zal de kinderopvang in Nederland ook in een ander daglicht stellen, hoopt Hamer. ‘Uit landen om ons heen weten we dat kinderopvang goed is voor de ontwikkeling van kinderen. Als we het beter regelen, wordt het voor moeders makkelijker om zonder schuldgevoel te gaan werken.’
Kenniseconomie
Het belang is helder, maar wie gaat dat alles betalen? Hamer: ‘Wij vinden het jammer dat opvang en onderwijs alleen aan de kostenkant van de begroting staan en niet naar de opbrengsten wordt gekeken. Nederland is een kenniseconomie, kennis is ons belangrijkste product, en dat tellen we niet mee. Dat is alsof je maar een deel van je salaris meerekent in je huishoudboekje. Dat moet anders. We zeggen als SER al langer dat er meer in geïnvesteerd moet worden, met name in het basisonderwijs, daar ligt de basis. Pak die ontwikkelingskansen in de voorschoolse periode op; het kost even geld, maar dat “verdienen” we wel terug. Mensen die zich ontwikkelen dragen later ook meer bij aan de maatschappij.’
Gelijke kansen volgens de SER
|
Nog even over die segregatie: zijn ouders daar zelf niet mede debet aan? Ehren: ‘Tuurlijk. Kinderen raken gescheiden van elkaar door keuzeprocessen van hoog- én laagopgeleide ouders. Die zoeken een school die past bij hun waardenopvattingen en thuissituatie en bij hun eigen onderwijservaringen.’ Dat mag klinken als gelijke kansen (want ouders kiezen zelf), maar dat blijkt in de praktijk anders, stelt Ehren: ‘Scholen met veel laagopgeleide ouders hebben bijvoorbeeld meer moeite om vacatures te vullen en goede docenten aan te trekken. En als een leerling in groep 8 een schooladvies krijgt dat eigenlijk onder zijn niveau ligt, omdat de leerkracht lage verwachtingen van hem heeft, dan komen hoogopgeleide ouders in verweer en laagopgeleide ouders niet. Dat heeft consequenties voor hoe kinderen door het systeem bewegen.’
Leersprongen wegen
De overgang po/vo pakt voor kinderen van laagopgeleide ouders dus niet altijd goed uit, ook bij gelijke prestaties. Maar hangt dat niet samen met de manier waarop de inspectie scholen beoordeelt, dus ook weer met de structuur van het systeem? Door- en afstroomcijfers zijn belangrijk voor het inspectieoordeel, daarom groeperen vo-scholen risicomijdend. En dat is in het nadeel van kinderen van laagopgeleide ouders.
Hamer: ‘Ik vind het lastig om de zwartepiet bij de inspectie te leggen, ik zou het breder willen trekken. De vraag is of de prikkels in ons systeem helpen – vroege selectie, maar ook de beoordeling van de eindniveaus. Kun je niet beter kijken naar de ontwikkeling van kinderen in hun schoolperiode? Een kind dat vaardiger binnenkomt, maakt bijvoorbeeld een kleinere sprong dan een kind met een taalachterstand die toch hetzelfde eindniveau haalt. Moeten we dat niet anders gaan wegen? In plaats van één schuldige aan te wijzen, moeten we kijken naar al die factoren: hoe het systeem werkt, de ruimte die leraren krijgen en de beeldvorming over bijvoorbeeld het (v)mbo. We doen niet voor niets twintig aanbevelingen in ons advies (zie de belangrijkste in kader, red.).’
Grootste risico dat het niet lukt? Hamer: ‘Dat iedereen het belangrijk vindt, maar niks doet.
Mariëtte Hamer: ‘Moeten we de ontwikkeling die kinderen doormaken niet laten meewegen?’ (Foto Sicco van Grieken)
Neem laaggeletterdheid, jaren geleden telden we een miljoen laaggeletterden en was men in shock. Inmiddels zijn het er 2,5 miljoen.’ Maar ja, waarom gebeurt er niks, zegt Ehren: ‘Omdat we in de kramp vervallen van vrijheid van onderwijs en autonomie van scholen.
‘We vervallen te
vaak in kramp van
onderwijsvrijheid’
Die argumenten worden continu gebruikt om structurele wijzigingen te voorkomen.’ Het wordt inderdaad snel een waardendiscussie, beaamt Hamer. ‘Maar volgens mij wil niemand de vrijheid van onderwijs afschaffen, wél die zo inrichten dat het optimaal werkt voor iedereen en geen ongewenste mechanismes in de hand werkt. Met behoud van de waarden die eronder schuilgaan, kunnen we het systeem best veranderen.’
Dit artikel verscheen in Didactief, januari/februari 2022.