‘Mijn student gaf haar vwo-2-leerlingen tijdens Nederlands een oefening over afkortingen voor taalkundig ontleden. Elke leerling kreeg een lijst met onder andere “znw”, “azn” en “blw”. De opdracht: schrijf elke afkorting voluit en geef een voorbeeld. De leerlingen bogen zich over de lijst, maar gingen niet aan de slag en begonnen te zuchten en te steunen. Een leerling legde zijn hoofd op tafel: “Het zijn er veel te veel. Dit is niet te doen.” Mijn student reageerde in eerste instantie goed, ze luisterde en toonde begrip. Maar ze week niet: de leerlingen moesten de oefening maken.’

Benieuwd naar de rest van het artikel?

Word nu abonnee en krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen op Didactief, inclusief persoonlijk profiel om artikelen makkelijk te selecteren, delen en bewaren.