De basisvorming is onzin en achterhaald, stelde Van der Hoeven bij de overhandiging van een onderzoek van de SP over het vmbo, waarin de partij concludeerde dat deze onderwijsvorm is mislukt. ‘We moeten afscheid nemen van dit dogma uit de jaren tachtig en negentig’, aldus de minister. Ze staat daarin niet alleen, ook de Kamer dringt al geruime tijd aan op herziening van de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De basisvorming werd tien jaar geleden ingevoerd door toenmalig staatssecretaris Wallage. Door leerlingen van alle niveaus hetzelfde lespakket aan te bieden, hoopte hij het hele niveau van het onderwijs te verbeteren. Wallage wilde er met de basisvorming voor zorgen dat leerlingen hun definitieve schoolkeuze konden uitstellen. En om voor alle leerlingen gelijke kansen te creëren, moest er een gezamenlijk programma van vijftien vakken komen, dat de scholieren in een gemengde klas zouden volgen. Dit gezamenlijke programma zou tevens doorstroming naar de verschillende niveaus bevorderen. In de praktijk bleek dit alles niet zo uit te pakken. Vanaf het begin was er de kritiek dat de basisvorming een slecht politiek compromis was. De onderwijsinspectie constateerde in 1999 dat het programma te omvangrijk en te versnipperd was en dat er te weinig rekening werd gehouden met de verschillen tussen leerlingen. Bovendien is er weinig van de gemengde klassen terechtgekomen. Het kabinet stelde daarom in 2001 voor de basisvorming terug te brengen tot twee jaar en om het aantal vakken te verminderen. Voor de concrete uitvoering van de plannen werd in 2002 de Taakgroep Vernieuwing Basisvorming in het leven geroepen. De taakgroep liet afgelopen maand in een tussentijdse rapportage weten het aantal kerndoelen te willen terugbrengen. Ook moeten scholen meer vrijheid krijgen om te kiezen welke vakken ze willen geven. Maar op de precieze plannen is het wachten tot de taakgroep zijn werk heeft afgerond