De hoofdpersonen in de jeugdboeken van Susin Nielsen hebben altijd iets onbeholpens. Ze zijn eerder antiheld dan held. Dat geldt ook voor Wilbur in Iets heel bijzonders. Vanaf de eerste klas van de middelbare school is hij een buitenbeentje. Een jongen die gedichten schrijft en snel in tranen is. Hij beschrijft zichzelf met de nodige zelfspot: met zijn mollige lijf, uitpuilende ogen en haar met ‘een maffe, draderige structuur’ is hij niet bepaald moeders mooiste. En dat terwijl zijn beide moeders zo knap zijn. En was zijn doel ooit niet meer zo verlegen zijn en zichzelf laten zien, intussen heeft hij de lat lager gelegd: overleven. Het wordt er...

Benieuwd naar de rest van het artikel?

Word nu abonnee en krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen op Didactief, inclusief persoonlijk profiel om artikelen makkelijk te selecteren, delen en bewaren.