Stel, het geld dat de overheid uitgeeft voor een rugzakleerling, gaat rechtstreeks je school in. Je krijgt dus tussen de tien- en twaalfduizend euro voor één basisschoolleerling, zevenduizend euro voor een leerling in het middelbaar onderwijs. En stel nu eens dat je tien ‘rugzakken’ hebt? Tot 1 augustus kreeg je voor dat bedrag een halve of (met een beetje mazzel) een hele dag per week een ambulant begeleider erbij om die specifieke leerlingen te helpen. Maar als je het
nu zelf mocht beslissen: zou je dan voor dat geld niet liever die ab’er fulltime in dienst nemen als groepsleerkracht? Dan trek je de expertise je school in en kunnen
alle leerlingen profiteren. En jij hoeft je niet meer te ergeren aan het feit dat die ab’ers – goed geschoold en goed getraind met prima expertise – je school steeds
voor een bliksembezoek in- en uitrennen. 

Uniek experiment

In hun kantoor boven een garage op een bedrijventerrein aan de Siliciumweg in Amersfoort noemen projectleiders Mark van der Plas en Riemer Poortstra dat ‘een win-win-situatie’. En ze hebben het voor elkaar gekregen ook. Sinds 1 januari 2009 (ver voor de troepen uit) hebben zij geëxperimenteerd met passend onderwijs. 

In een regionaal netwerk van besturen van primair, speciaal en voortgezet  onderwijs, incluis de ambulante begeleidingsdienst, kregen zij rechtstreeks van OCW een budget voor vijf jaar. Dit was van alle leerlingen die op 1 oktober 2008 in hun regio voor leerlinggebonden financiering geïndiceerd waren in cluster 3  gehandicapten en langdurig zieken) of cluster 4 (kinderen met een stoornis of gedragsprobleem) én van alle leerlingen die op dat moment in het so en vso in een van de voorzieningen van de clusters 3 en 4 zaten. 

Alle spelregels van de bestaande commissies voor indicatiestelling werden buiten werking gesteld; de spelregels van de samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs bleven gehandhaafd. Experiment Eemland kon van start. 

Zestig besturen zetten hun handtekening onder het projectplan van Van der Plas en Poortstra, respectievelijk manager van REC 4-4 en directeur van een samenwerkingsverband VO. De inkt was nog niet droog of de overheid paste het beleid voor passend onderwijs aan, samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs moesten voortaan per definitie apart verder. Maar voor  Eemland, zegt Van der Plas, was er geen weg meer terug. En zo werd dit experiment uniek in zijn soort: het enige waarin passend onderwijs werd uitgevoerd
zoals het oorspronkelijk bedoeld was, zonder knip tussen PO en VO. 

Passend onderwijs zoals het oorspronkelijk bedoeld was

Als Van der Plas en Poortstra erover praten, klinkt het zo simpel. De afgelopen vijf jaar hebben ze de commissie voor indicatiestelling, die elders beslist (tot 1 augustus 2014) welke leerlingen een rugzakje krijgen en welke niet, buitenspel gezet. Ze formeerden zelf een commissie die aanvragen voor ondersteuning beoordeelde.
Op basis van wat die vier commissieleden – ‘grijs en wijs’ – constateerden, werden er hulptrajecten op maat uitgezet, zogenoemde arrangementen. In de Pilot Eemland gaat het om 45 duizend leerlingen. Zat er nog een zeef tussen hun leerkrachten en de commissie? Zeker, een leerkracht met een hulpvraag kon eerst een beroep doen op een ondersteunings- team, bestaande uit experts, meestal een ambulant begeleider, een opvoedingsondersteuner van het Centrum voor Jeugd en Gezin, de coördinator van het samenwerkingsverband waaronder de school valt, de
leerkracht en de ouders. 

Draagvlak

Mary Beijer, intern begeleider op basisschool De Heerd in Leusden, was betrokken bij een ondersteuningsaanvraag. Het grote verschil met WSNS vindt zij dat ouders vanaf het begin bij het traject betrokken zijn. En dat scheelt behoorlijk in het verkrijgen van draagvlak, zegt ze. ‘Het gedrag van een jongetje dat net bij ons op school gestart was in groep 5, riep na twee weken vragen op. Wat klopte er niet? We zijn met de ouders om de tafel gaan zitten en daarna met het ondersteuningsteam. Het opbouwen van een dossier zoals we voorheen deden, kost veel tijd. Nu konden we met de ouders overleggen: vertel eens, wat is hier
aan de hand? Het team heeft vervolgens een aanvraag gedaan voor een specifiek arrangement: trainingen bij een psycholoog en we hebben afspraken met de jongen
gemaakt die ook thuis gehandhaafd werden. Het gaat inmiddels heel goed met hem.’

Niet eindeloos leerlingen analyseren, maar snel handelen

Conclusie van het verhaal: leerkrachten kunnen met hulp van het ondersteuningsteam sneller handelen, nadat problemen zijn gesignaleerd en indien nodig kunnen zij snel een arrangement aanvragen en opstarten. En dat voorkomt escalatie of verergering van problemen. Niet eerst je leerling nog eens bekijken met de ambulant begeleider, en dan nóg eens met de onderwijsondersteuner. Niet eerst een dossier hoeven aanleggen (zoals in WSNS verplicht is) waarin je aantoont dat je een half jaar van alles geprobeerd en toch gefaald hebt.

Blanco cheque

Projectleider Van der Plas: ‘Als je vraagt waar leerkrachten een hekel aan hebben, is het ellenlange dossiers maken. Wij zeggen daarom: op het moment dat iemand
een ondersteuningsaanvraag doet, de noodklok luidt, moet je in de brandweerwagen springen en niet eerst nog eens kijken of er rook komt. Het is een kwestie van vertrouwen. Soms heeft de commissie aan een handtekening van de ib’er genoeg bij wijze van spreken. Als het iemand is die ze niet kennen, dan willen ze wel graag een onderbouwing hebben, maar de tweede keer is dat al minder, en de derde keer is het in orde.’ 

Dat klinkt als een blanco cheque voor hulp aan de leerkracht? Zonder gedoe en zo lang als het duurt? Zo zit het niet, zegt Van der Plas. ‘Als er bijvoorbeeld een
leerling met downsyndroom binnenkomt, geeft de commissie een arrangement af tot twaalf jaar. Maar voor de meeste andere arrangementen geldt dat drie of vier maanden intensieve hulp op maat voldoende is. Terwijl de traditionele rugzak per definitie drie jaar is. Volgens ons is dat in negen van de tien gevallen niet nodig.’

Kan een leerkracht herhaaldelijk ondersteuning aanvragen? Poortstra: ‘Nee. Wij vinden: de onmacht van een leerkracht mag er best zijn, maar je moet hem direct helpen. In het oude systeem van indicering werd onmacht beloond. Als je echt je best had gedaan om aan te tonen dat je het een half jaar lang niet kon, kreeg je geld.’ 

In het model van het regionale netwerk kun je niet twee keer een arrangement aanvragen voor hetzelfde soort probleem, vertelt Poortstra. ‘Dan gaan we de leerkracht helpen of het team, niet de leerling. We draaien het om. In plaats van een
etiket op de leerling te plakken en te kijken waar we het kind naartoe kunnen brengen, kijken we wat het nodig heeft en hoe we dat kunnen organiseren. Dat lukt nog niet voor 100%, maar we zien de kracht van scholen wel toenemen. Zozeer zelfs dat aantal scholen nu zegt: geef ons het geld maar, we doen het zelf.’

 Het Corderius College in Amersfoort is zo’n school. Er zitten 59 (!) rugzakleerlingen in cluster 4, maar de school heeft zelf orthopedagogen en begeleiders, speciale klassen en extra mentoruren. De dienst ambulante begeleiding is inmiddels met zo’n 30% gekrompen. 

Angst

In het begin was er koudwatervrees bij scholen. Poortstra: ‘Moeten jullie niet even een handtekening zetten, vroegen ze dan, want anders worden wij verantwoordelijk
voor de toekenning van het arrangement. Maar zíj zijn de experts. Zij kennen de kinderen het beste, werken elke dag met ze, hebben een interne zorgstructuur
waarvan de inspectie zegt: dat is in orde. Moeten wij dan hier aan de Siliciumweg ons er nog mee bemoeien?’ Poortstra lacht. Nee dus.

Het regionaal netwerk vraagt wel om een (naar eigen zeggen) minimale rapportage na een half jaar: heeft het arrangement geholpen? Van der Plas: ‘Soms levert
dat een vraag op: mogen we doorgaan, want het gaat zo lekker? Maar leerkrachten moeten vanuit die beschermde situatie, bijvoorbeeld een kleinere klas, toch
weer terug naar normaal. Afspraak is daarom altijd dat als een arrangement is afgelopen, de hulp onverminderd voortgezet kan worden. Je hebt de kans expertise
op te bouwen binnen je school. Die moet je dan wel aanpakken.’

Iedere school binnen het experiment heeft inmiddels een schoolondersteuningsprofiel gemaakt, waarin staat wat de school kan en wat ze absoluut niet kan. Van basiszorg willen Van der Plas en Poortstra niets weten.
Van der Plas: ‘Dat is een academische uitdrukking. Die bestaat helemaal niet. We moeten allemaal aan dezelfde wet voldoen. De ene school is misschien wat
sterker en de andere wat zwakker, maar in de basis moet het goed zijn.’

Minder bureaucratie en toch voldoende controle

Op verschillende plaatsen in Nederland specialiseren scholen zich binnen hun samenwerkingsverband: de een is goed in autisme, de ander in adhd. Binnen
Eemland is men geen voorstander van dit specialistenmodel in het reguliere onderwijs. Van der Plas: ‘Iemand uit Bunschoten stapt niet op zijn fiets naar
Woudenberg, omdat een school daar toevallig beter bekend staat om zijn autisme-aanpak. Bovendien, iedereen wil wel de lichte autisten, maar niemand wil de kinderen die constant in de gordijnen klimmen en met stoelen gooien. Dus we hebben gezegd: iedereen moet alles een beetje kunnen. En waar hulp nodig is,
organiseren we die.’ Liefst zo dicht mogelijk bij de school.

Jorieke Troost, leerkracht groep 4/5 op basisschool De Heerd in Leusden, is bijvoorbeeld lid van een zogenoemd gedragsteam: leerkrachtexperts van verschillende scholen die collegiale consultatie bieden aan collega’s in de regio die daar om vragen. In werktijd tegen de kosten van een vervanger in de groep of in
extra uren tegen het tarief van een groepsleerkracht, beide betaald met een arrangement. Troost heeft een master Special Educational Needs gedaan en al meer dan tien jaar ervaring als groepsleerkracht. ‘Hulp van het gedragsteam is laagdrempelig. Collega’s vinden het fijn dat wij zelf ook met onze voeten in de klei staan.’

Wat zij collega’s vooral wil meegeven vanuit de gedragsgroep, is dat je anders kunt
kijken naar kinderen. Gedragsproblemen komen soms voort uit leerproblemen en
andersom. Troost: ‘Dan hoef je geen toverkist open te trekken om daar wat aan te doen, maar je moet vooral kijken: wat weet ik van dit kind, wat heeft het nodig?
Dat kan betekenen dat een kind met autisme bijvoorbeeld geen spreekbeurt hoeft te houden, terwijl de rest van de groep dat wel moet doen. Ga niet sleuren en trekken om toch tot een succesvolle spreekbeurt te komen, maar pas je eisen aan het kind aan: laat het een filmpje maken of een Powerpoint-presentatie.’ 

Gaat de inspectie akkoord met zo veel differentiatie binnen een school? Op De Heerd in ieder geval wel. De school heeft twee kindjes met downsyndroom, in groep 1/2 en 6, die een volledig eigen programma doorlopen. Volgens Troost heb je als school veel ruimte: ‘Zolang je maar goed beschrijft waarom je bepaalde scores hebt gehaald.’ 

Wanneer doe je een beroep op het ondersteuningsteam? Voor een kind met down lijkt dat logisch, maar waar ligt de grens? Troost is ondubbelzinnig: voor een leerling met dyslexie hoef je niet naar het ondersteuningsteam. Daar moet je mee kunnen omgaan als leerkracht. Maar als een leerling depressief is, ligt dat anders. ‘Het allerbelangrijkste is om problemen voor te zijn. Het gaat echt om een omslag in het denken van leerkrachten. Heb je een leerling met problematisch gedrag in groep 2? Probeer je voor te stellen hoe dat in groep 8 zal zijn. Nu kun je het kind nog optillen en in een hoekje zetten, maar straks? Wat dan? Je moet niet wachten tot het echt niet meer gaat.’ 

'Over de schutting gooien' werd minder aantrekkelijk

De Heerd heeft inmiddels een reputatie in de regio Utrecht/Amersfoort. Ouders met kinderen die elders buiten de boot dreigen te vallen, kloppen er vrij snel aan. Maar wat moet een doorsnee school binnen het netwerk aan kunnen? En hoeveel zorgleerlingen moet ze accepteren? Zijn daar afspraken over? Op De Heerd hebben ze door schade en schande geleerd aanmeldingen nauwkeurig te beoordelen. Troost: ‘Of we akkoord gaan met een aanmelding hangt af van de situatie in de groep waar een kind terecht zou komen, van de situatie van de  leerkracht, en van het kind in kwestie. We kijken ook altijd naar de school waar een kind vandaan komt als het om een zij-instromer gaat. In de praktijk van passend onderwijs kun je niet stellen dat ieder kind overal maar welkom kan zijn.’

En ze zijn toch echt niet kinderachtig op De Heerd. Troost heeft een  combinatiegroep 4/5 van 28 leerlingen, onder wie dertien kinderen ‘met een bijzonder verhaal’ van wie er vijf een arrangement hebben. Toch is haar stelling: soms moet je nee verkopen. Maar scholen krijgen toch een zorgplicht? Hoe zit dat als we uitzoomen en kijken naar de andere scholen in het regionaal netwerk?  Poortstra: ‘We hebben een hoog ambitieniveau voor elke school. Al betekent dat niet dat het niveau op elke school even hoog is. Iedereen moet minimaal kunnen signaleren en zich een aantal gedragsbeïnvloedende technieken eigen maken voor
de verschillende leeftijdsgroepen. Maar scholen verschillen. Vraag is: heb je scherp wat je als school kunt?’

Hoe het straks moet met de verplichte aanname binnen passend onderwijs, weet hij  ook niet. Van der Plas: ‘Als mensen zich aanmelden, mag je ze niet afwijzen op basis van behoefte aan ondersteuning of handicap. Maar er is geen regelgeving
voor het traject daarvoor: de fase van gesprekken voeren en wat er dan gezegd en afgewogen wordt.’ Ouders in de pauze uitnodigen kan helpen, grapt hij. Dan zien ze meestal wel af van een aanmelding. 

Eén pot geld

In de praktijk blijkt dat een school die meer te bieden heeft, ook meer aanmeldingen krijgt van leerlingen met ondersteuningsvragen, zoals op De Heerd en het Corderius College. Van der Plas: ‘Die krijgen een groter stuk van de koek. En als een ander dat ook wil, moet die dat goed kunnen uitleggen, want dan moet iedereen wat inleveren om dat mogelijk te maken.’ 

In het model van Van der Plas en Poortstra wordt het budget van alle rugzakjes binnen het netwerk op één hoop gegooid. De commissie zorgt voor een eerlijke verdeling. Bij de toekenning van arrangementen en leerlinggelden. Rekenen kunnen Van der Plas en Poortstra als de besten. En dat is essentieel voor het succes van hun pilot geweest, zo lijkt het. Want hoe werkte het financieel? Met het geld dat zij voor één rugzakleerling kregen, konden ze veel meer leerlingen helpen dan in het oude systeem. ‘Reken maar een factor 2,2,’ aldus Poortstra. ‘Maar we keken ook elk kwartaal naar het geld dat scholen kregen. Iedere so- en vso-school in cluster 3 en 4 kreeg budget op basis van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 2008 geteld is. Als tijdens zo’n kwartaaloverleg bleek dat er op dat moment minder
leerlingen waren, dan vloeide het geld dat men te veel ontving, terug naar de netwerkkas ten behoeve van scholen die bijvoorbeeld juist gegroeid waren sinds die
1 oktober 2008.’ 

Er ontstond een zogenoemde T-bekostiging* waarbij iedere leerling die direct geplaatst moest worden, ook direct gefinancierd werd. Ook werd ‘over de schutting
gooien’ minder aantrekkelijk. ‘Als er te veel leerlingen naar een school voor speciaal onderwijs werden doorgestuurd, verloren de reguliere scholen het bijbehorende
geld. Het budget bleef wel binnen het regionaal netwerk. Je werd automatisch gekort als het niet goed ging en het speciaal onderwijs groeide, maar beloond als je expertise in het regulier onderwijs vergrootte en er minder verwijzingen waren.’

Omdat het regionaal netwerk samenwerkingsverbanden PO en VO verenigde, belandden ook de budgetten voor het PO en VO in dezelfde pot. En dat maakte
beslissingen budgetneutraal, zo lijkt het. Poortstra: ‘Landelijk gezien worden kinderen tot veertien jaar en soms nog ouder, nu vaak wat langer in het speciaal
onderwijs gehouden. Voor ons maakte dat niet uit, want het geld kwam toch allemaal uit dezelfde pot. 

Straks verandert dat. Per 1 augustus kan het voor een samenwerkingsverband PO lucratief zijn om een leerling door te sturen naar het voortgezet (speciaal) onderwijs, omdat het samenwerkingsverband VO dan voor dat kind moet gaan betalen.’ Van der Plas en Poortstra zijn dan ook niet blij met die knip in de nieuwe wetgeving voor passend onderwijs. 

Preventie

Het experiment in Eemland is voorbij. Alle scholen moeten op 1 augustus voldoen aan de nieuwe wet. De betrokkenen willen de positieve effecten van dit experiment toepassen in de nieuwe situatie. Preventief werken zonder ingewikkelde indicering. Want  passend onderwijs is vooruitzien en snel handelen, zegt iedereen in Eemland eigenlijk. Dat is beter voor de kinderen en het kost minder. Van der Plas
en Poortstra: ‘Gaandeweg is binnen dit netwerk een inverdieneffect ontstaan. Door kortdurend goed te ondersteunen aan de voorkant, kunnen we aan de achterkant meer besparen. En eerlijk is eerlijk: als je tien procent winst haalt, is het hele probleem van passend onderwijs opgelost.’ 

* Alle scholen buiten Eemland tellen hun leerlingen ieder jaar op 1 oktober en krijgen de dan vastgestelde aantallen een schooljaar later gefinancierd. Dat heet de ‘T-min-1- bekostiging’. Voor de Pilot Eemland zijn leerlingen in de clusters 3 en 4 op so- en vso-scholen per kwartaal geteld en direct gefinancierd (‘T-bekostiging’).

Dit artikel is eerder verschenen in Didactief, juni 2014.