1. Werk met woordenschatroutines
Meester Marcel van groep 5 speelt voor de bel nog een spelletje woordenbingo. De beamer gaat aan. Leerlingen duiken in hun woordenschriftje en kiezen vijf woorden uit de laatste twee aangeboden woordpakketten. Vlug vullen ze hun blanco bingokaart ermee: het spel kan beginnen. Marcel omschrijft: ‘Je kunt dit voorwerp mee op vakantie nemen en er heerlijk in dromen. Ook kleine kinderen gebruiken mijn voorwerp vaak.’ Je ziet een jongen denken: dromen…, vakantie… Snel kruist hij het woord slaapzak aan op zijn bingokaart. Wie roept als eerste ‘Bingo’? Een voorbeeld van een woordenschatroutine, vergelijkbaar met bekende routines als een dagopening, fruit eten en...
Benieuwd naar de rest van het artikel?
Word nu abonnee en krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen op Didactief, inclusief persoonlijk profiel om artikelen makkelijk te selecteren, delen en bewaren.