Interview

Pleidooi voor de virtuoze leraar

Tekst Carola Schoor
Gepubliceerd op 04-11-2013 Gewijzigd op 27-10-2016
Beeld Anje Kirsch
‘Die hele basale pedagogische intuïtie is uit het onderwijs aan het verdwijnen. Als je niet meer weet met welk doel je onderwijs geeft, dan ben je bezig de agenda’s van anderen uit te voeren’, zegt Gert Biesta. 

Aan het woord is hoogleraar en onderwijspedagoog Gert Biesta. Hij wil de pedagogische dimensie terugbrengen in het onderwijs. ‘Op het moment is de slinger veel te veel aan de kant van het meten en een hele beperkte visie op wat goed onderwijs is. Sommige dingen zijn niet meetbaar. PISA als een definitie van goed onderwijs? Scholen moeten duidelijk maken dat er veel meer is dat telt. Iedereen heeft het over “goed onderwijs”, maar het gaat om de vraag waarvoor dat onderwijs dan goed is. Wat is het doel? Die vraag lijkt uit het onderwijs te zijn verdwenen. Als je daar niet zelf expliciet over nadenkt, bepalen anderen waar het onderwijs om gaat. Ik wil dat teruggeven aan het onderwijsveld.’

Wat is volgens u goed onderwijs?
‘Ik heb geen blauwdruk en wil die ook niet geven. Er moet een brede discussie over zijn, tussen de beroepsgroep, de politiek, beleidsmakers, ouders en andere maatschappelijke betrokkenen. De doelen van het onderwijs beslaan in elk geval drie terreinen. Ten eerste het terrein van de kwalificatie, de overdracht en verwerving van kennis en vaardigheden. Maar het onderwijs is meer. Het gaat ook om socialisatie – de manier waarop het kind zich leert verhouden tot tradities en praktijken, en om subjectivering – hoe wordt een kind een eigen individu, een persoon die in onze democratie kan meedoen. We zitten vast in een bepaalde manier van denken die vooral kijkt naar wat meetbaar is en vooral is geïnteresseerd in prestaties in het domein van de kwalificatie. Het probleem is dat er niet langer een taal lijkt te zijn voor de andere dimensies van het onderwijs. Het is heel belangrijk dat we de juiste woorden vinden, juist voor dingen die moeilijk of niet te meten zijn. Zodat leraren kunnen spreken over het onderwijs in brede zin, en een weerwoord hebben wanneer ze louter op prestaties in het domein van de kwalificatie worden aangesproken en afgerekend.’

Dat is nodig?
‘De onderwijsinspectie – maar nog meer de politici en beleidsmakers – zijn vaak alleen geïnteresseerd in de kwalificatiefunctie van het onderwijs. Als school dien je er op te wijzen dat dit niet het enige doeldomein van het onderwijs is. Dat ook socialisatie en subjectivering belangrijk zijn. En daarbinnen moeten keuzes gemaakt worden, omdat prestaties in het ene domein soms juist ten koste gaan van prestaties in het andere domein. Denk bijvoorbeeld aan wat de druk op prestaties in het kwalificatiedomein kan doen met de persoon (subjectivering), en met een impliciete visie dat competitie het uiteindelijk altijd wint van samenwerking. Veel denken over effectief onderwijs, en ook veel onderzoek, kijkt slechts een-dimensioneel, en vergeet de complexe pedagogische dilemma’s die voortkomen uit het feit dat onderwijs tegelijkertijd op een aantal verschillende doeldomeinen is gericht.’

U spreekt over drie doeldomeinen van onderwijs. Wat is het verschil met de oude tweedeling in ‘onderricht en vorming’?
‘Het is belangrijk te zien dat die vorming uit twee zaken bestaat, de subjectivering en de socialisatie. In Nederland bestond van oudsher veel aandacht voor vorming, bijvoorbeeld in de klassieke vernieuwingsscholen. Daar is een tendens om het accent vooral op het kind en dus op de subjectivering te leggen. Het is belangrijk om dat in balans te brengen met de socialisatie en de kwalificatie – en die balans is momenteel in veel gevallen zoek door de te grote aandacht voor kwalificatie. Het onderwijs is uit balans geraakt. Dat het in het onderwijs altijd ergens om gaat – dat er altijd doelen aan de horizon zijn – is een van de belangrijkste redenen voor mijn kritiek op de idee van de docent als “facilitator van leerprocessen”. Het gaat er in het onderwijs niet om dat kinderen leren, maar altijd dat ze iets leren, dat ze het met een bepaald doel leren, en dat ze het van iemand vinden. Dat laatste, de relatie, is cruciaal. Voor mij doet een leraar ertoe als leraar, als iemand die werkt in het domein van gezagsrelaties – niet macht – en die daar verantwoordelijkheid voor neemt.’

Veel leraren zeggen: ik geef een vak. Laten ouders maar opvoeden.
‘Als ouders hun opvoedingstaak niet vervullen, moeten ze daar natuurlijk op worden aangesproken. Maar het is wel óók de taak van leraren. Opvoeding is de verantwoordelijkheid van de hele samenleving, maar ieder op zijn eigen manier. Politici bijvoorbeeld: de manier waarop zij de samenleving vormgeven heeft ook een vormend effect. De discussie over gezag in het Nederlandse onderwijs is gemarginaliseerd. Ik denk vanwege de verwarring met autoritair gedrag, waar kritiek op was. Maar ik denk niet dat er te weinig autoriteit is in het onderwijs en de samenleving. Er is juist een teveel, maar van de verkeerde soort. De reclame, de economie dicteert precies wat leerlingen doen. Daar moet je als leraar je pedagogisch gezag tegenover proberen te stellen.’

U gelooft niet in evidence based onderwijs, las ik.
‘Het idee van evidence based werken komt uit de gezondheidszorg, en vooral uit de meer technische hoek, waar het gaat om één-dimensionele relaties tussen bepaalde interventies – bijvoorbeeld medicijnen of therapie – en de effecten ervan. Een van de unieke aspecten van onderwijs is dat er altijd effecten zijn in drie dimensies, kwalificatie, socialisatie en subjectvorming. Voor het onderzoek is er daarom altijd de vraag hoe ‘effect’ in een domein van invloed is op de andere domeinen – en soms is daar synergie, maar vaak ook niet. Evidence-based benaderingen zijn in die zin veel te simplistisch omdat ze niet uit een brede kijk op het onderwijs voortkomen. En het uiteindelijke oordeel over wat pedagogische gezien wenselijk is, ligt mijns inziens bij de docent – niet bij de wetenschap of het beleid. Daarvoor moet de docent wel op een professionele manier omgaan met de drie dimensies zodat ze op een brede, onderwijspedagogische mannier naar de praktijk kijken. Ik noem dat de ‘ virtuositeit’ van de leraar. Het gaat namelijk niet alleen om de kennis of de competenties van de docent, maar ook om het vermogen om pedagogisch te kunnen oordelen en handelen. Leraren moeten een praktische wijsheid hebben waardoor ze weten wat het doel is van hun handelen, waarom ze bepaalde keuzes maken.’

Heeft zo’n virtuoze leraar dan helemaal geen onderzoek nodig om te weten hoe hij moet handelen?
‘Op zich heb ik niks tegen meten en onderzoek dat dat soort informatie genereert, maar je moet oppassen dat je niet in de valkuil trapt van aantrekkelijke schijnzekerheden. Onderzoek geeft alleen een abstracte mogelijkheid. Dat moet vertaald worden naar een concrete wenselijkheid. Je moet nooit zomaar iets doen ‘omdat dat uit onderzoek blijkt’ of omdat dat ‘volgens de richtlijnen’ is. Dan stop je met nadenken over waar je mee bezig bent. Richtlijnen waarvoor? En is dat ook wat hier nodig is? Als protocollen het denken in de praktijk gaan overnemen, dan heb je geen onderwijs meer maar een machine. Het systeem wordt dom. Je neemt zelf geen verantwoording meer. Op deze manier ben je professionaliteit aan het vernietigen.’

Gert Biesta is hoogleraar theorie en beleid van onderwijs en opvoeding aan de universiteit van Luxemburg. Meer info: www.gertbiesta.com.

Click here to revoke the Cookie consent