Vrij spelen

Tekst Frank Jongbloed
Gepubliceerd op 01-01-2021
Frank Jongbloed - Het is ‘vrij spelen’ in de klas. Zo zeg ik dat ook tegen groep 8: ‘Nu hebben jullie even tijd om vrij te spelen.’ Het valt ze niet eens op hoe kínds en ongroepachterig dat klinkt, ‘vrij spelen’.

De jongens gaan verwoed verder met de deconstructie van de tafelvoetbaltafel. Blijkbaar moet dit ding opgetild, geschud en neergesmeten worden voor maximaal speleffect – de losgerammelde schroeven vliegen geregeld door de klas. De vier meisjes zijn als één giechelende roze wolk in een hoekje van het lokaal neergestreken en morrelen tevreden heen en weer. Très rolbevestigend allemaal. En ik? Bij mij op het bureau liggen allerlei administratieve taartjes waar ik zo nu en dan wat van afsnoep, maar die ik hoognodig naar binnen moet proppen wil ik het einde van het schooljaar volledig geregistreerd en afgehandelingspland afsluiten. Dus dat zit ik te doen. Tot een lid van het roze meisjeswolkje met wat gekir mijn aandacht tracht te trekken. ‘Meesteherrr?’ Ik kijk op. ‘Hmm,’ antwoord ik. ‘Meester, wat zou jij doen als je een vriendinnetje had dat vreemdging?’ Ah. Daar hadden de dames het dus over. Vier paar ogen kijken mij afwachtend aan, maar ik zie verschillende sensaties in de gezichtjes. Smullend, nieuwsgierig, geamuseerd, maar ook begaand. Ik leg mijn vulpen neer. ‘Tja,’ begin ik, ‘Als je mijn leeftijd hebt, dan heb je waarschijnlijk voldoende ervaring om te weten hoe dat is. Ik heb dat wel eens meegemaakt.’ De meisjes giechelen verrukt en schuiven wat meer in mijn richting. De jongens voeren nog steeds oorlog met het van mijn eigen geld aangeschafte speeltoestel en de dames willen natuurlijk goed horen wat ik hierover ga vertellen. ‘Heeft u dit meegemaakt?’ vraagt een van de meisjes met een extatisch toontje. ‘Ja, in zo’n situatie heb ik wel eens gezeten.” Alwetende blikken worden door het groepje uitgewisseld. Het valt me op dat één meisje er niet aan meedoet. Ze kijkt een beetje bezorgd en zwijgt. ‘Meester, wat deed u toen!?’ ‘Nou,’ zeg ik, ‘Toen was ik verdrietig.” Er wordt gegrinnikt. Verdrietige meester, nú zullen we het meemaken! ‘En moest u toen huilen?’ En dan sta je als leerkracht volledig in je recht om een grens aan te geven en een verhaaltje over Hoe Je Zulke Zaken Niet Met Grappen En Grollen Moet Benaderen af te steken. Maar ik neem de gok en ga rustig verder. ‘Ja,’ ga ik verder, ‘Toen moest ik wel huilen.’ Twee dames schieten in de lach. ‘Haha! Dat is raar! Als mannen huilen!’ proesten ze. Dan staat het zwijgende meisje op. Ze kijkt streng naar de andere dames. ‘Ik snap niet,” zegt ze op zeer kalme en beheerste toon, ‘waarom jullie hierover zitten te lachen.’ De twee meisjes kijken verbaasd naar het klasgenootje dat onwrikbaar voor ze staat. ‘Het is helemaal niet raar als mannen huilen. Helemaal. Niet.’ Ze draait zich om naar mij. ‘Meester,” zegt ze zacht, ‘Ik snap niet waarom ze lachen, hoor.’ ‘Ik ook niet,’ antwoord ik verbouwereerd en kijk hoe het meisje wegloopt om elders in de klas wat anders te gaan doen. De overgebleven meisjes kijken bedrukt in mijn richting. ‘We gaan stoppen met vrij spelen,’ zeg ik. ‘Over vijf minuten gaat de bel.’

Dit artikel verscheen in Didactief, november 2012.

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent