Interview

In de biotoop van Rens van Loenhout

Tekst Paulien de Jong
Gepubliceerd op 30-03-2017 Gewijzigd op 30-03-2017
Voor de jonge meester Rens van Loenhout (23) zijn denklessen het gereedschap voor zijn onderwijs. ‘Kinderen stellen meer vragen, werken beter samen en leren makkelijker.’

In een tijd waarin het niet langer lijkt te draaien om inhoud maar om reactiesnelheid (Twitter, Facebook), is er op school – thank god – wél tijd om na te denken. Rens Loenhout voor de klasDat doen we tijdens de denklessen van meester Rens van Loenhout. Oftewel: Thinking for learning, een concept uit Engeland om kinderen te helpen bij het scheiden van hoofd- en bijzaken. ‘Bij denklessen gaat het om leren discussiëren,’ licht Van Loenhout toe. ‘Argumenten geven, verbanden zien. Het maakt kinderen kritischer, ze stellen meer vragen, gaan beter samenwerken en leren makkelijker. En het leuke is: er is geen goed óf fout.’

PCBS De Regenboog in het Noord-Brabantse ‘Zeuvebérge’ (Zevenbergen) startte er dit schooljaar mee. Van Loenhout, meester van groep 6, integreert het concept alsof hij nooit anders heeft gedaan. Met de kinderen staat hij stil bij vakken en vaardigheden. ‘Wat ging goed? Wat kan beter? Wat leer je van een piramide invullen? Waarom is het handig om elke les een mindmap te maken?’ Zelfs na het (rommelige) uitdelen van de boeken vraagt hij: ‘Is het erg dat het lang duurde?’

kinderen in de klasHoe zo’n denkles in zijn werk gaat, zien we als de kinderen begrippen moeten leren bij aardrijkskunde. ‘Voor de carnaval hebben we het gehad over water. Om jullie geheugen op te frissen lezen we hoofdstuk 3. Je krijgt één minuut de tijd om op te schrijven wat jij belangrijk vindt.’ Van Loenhout, met voetbal in de hand, vraagt de leerlingen achter hun stoel te gaan staan. ‘We doen één rondje. Je zegt één belangrijk woord en gooit de bal naar een ander.’ In rap tempo komen de woorden voorbij: elektriciteitscentrale, waterzuivering, verbruik, schoon water, riolering, energie, aardgas, leidingwater. Als Van Loenhout zelf als laatste de bal vangt, komt het denkaspect naar voren. Kriskras door de klas stelt hij vragen: ‘Wat hebben jullie veel gehoord? Begrijp je waarom ze riolering zeggen? En Floris, jij zei aardgas. Waarom is aardgas zo belangrijk?’

De denklessen zijn volgens Van Loenhout als gereedschap, waarmee je, net als met bijvoorbeeld ICT, kunt spelen. ‘Je merkt al heel snel dat het past bij alles wat je doet, zolang je het doel maar goed in je achterhoofd houdt.’

Tweetallen

NAC- en carnavalfanaat Van Loenhout (vader procesoperator, moeder medewerker bij een bank) is 21 jaar wanneer hij als tijdelijke kracht begint op De Regenboog. Het is even slikken als hij voor een nulgroep van 26 kleuters wordt gezet. Maar zó nuttig. ‘In dat jaar heb ik geleerd echt te kijken naar de ontwikkeling van het individuele kind.’

twee leerlingen aan het werkTwee jaar later heeft hij het ambacht in de vingers en begeleidt hij zijn eigen klas, een groep van 28 kinderen met ‘heul veul’ jongens. Een drukke klas, die duidelijk behoefte had aan continuïteit en een vast gezicht voor de groep. ‘Het zijn fijne en vrolijke kinderen die niet allemaal elkaars vrienden zijn – en dat hoeft ook niet – maar waar iedereen wél met elkaar kan samenwerken.’ Dat is een van de vaardigheden waar Van Loenhout op hamert, omdat ‘we open en eerlijk naar elkaar zijn en elkaars verschillen durven te accepteren’. De kinderen werken veel in duo’s en hij bedenkt steeds nieuwe strategieën zodat ze niet altijd dezelfde partner kiezen. ‘Jij bent nummer 28 en werkt samen met nummer 1, nummer 27 gaat met nummer 2, enzovoort.’ Natuurlijk stimuleert hij ook tot zelf nadenken. ‘We gaan tweetallen maken, hoe lossen we dat op? Ga je dan eerst naar je beste vriend of vriendin en kletsen over de vakantie? Is dat slim? Waar kun je op letten?’ In de groep klinkt gelach, alweer, want meester Rens maakt altijd grapjes. Vingers schieten de lucht in. Een jongen lacht: ‘Nee, je kunt beter iemand kiezen die slimmer is dan jij.’

Blije ouders

beloning‘Het is geen hogere wiskunde,’ antwoordt Van Loenhout op de vraag of het bijzonder is dat hij twee jaar na z’n afstuderen voor de groep staat alsof het zijn tweede natuur is. Hij heeft overwicht en bedenkt met gemak manieren om zijn leerlingen uit te dagen. Collega’s inspireert hij met succesvolle ideeën, zoals zijn beloningssysteem met drie waardebonnen waarbij kinderen voor zichzelf, hun groepje of de hele klas iets kunnen winnen (zie foto). En wat ook écht meester Rens is: het alternatieve huiswerk dat hij geeft tijdens de Cito-weken, zoals ‘kies een keer wat jullie ’s avonds eten’ en ‘speel een gezelschapsspel’. Ouders lopen met hem weg. Een moeder zegt: ‘Wij zijn verbaasd over de manier waarop hij de klas stimuleert om het beste uit zichzelf te halen. Kinderen kunnen Rens als butler verdienen, of mogen in de klas een ochtend op hun sokken lopen.’

‘Ik denk dat iedereen het wel zou kunnen,’ reageert Van Loenhout bescheiden op de complimenten. ‘Beter worden is ook een kwestie van veel uitproberen en “afkijken”. Bij elkaar naar binnen lopen. Een moeilijke rekenles neem ik op, met een iPad achter in de klas. Op film zie je pas echt wat er gebeurt: welke leerlingen geef ik vaak de beurt? Duurt mijn instructie niet te lang?’

groepsfoto van groep 6Zwaar beroep? Van Loenhout wuift dat weg. ‘Al dat geklaag, het schrikt potentiële leraren alleen maar af. We hebben hartstikke veel vakantie en wat mij helpt: ik doe thuis niets meer. Het is vooral een ontzettend dankbaar beroep. Een meisje dat zich vorig jaar buitengesloten voelde en met hoofdpijn naar huis ging, is weer opgebloeid. Met wat extra aandacht, contact met haar ouders en door haar uit te roepen tot “kanjer van de week” zit ze beter in haar vel. Dat bedoel ik met dankbaar,’ besluit hij nuchter.

Dit interview verscheen in de rubriek 'De Biotoop' in Didactief, april 2017.